Overzicht voor de theocratische bedieningsschool
De volgende vragen zullen mondeling worden besproken tijdens de theocratische bedieningsschool in de week van 27 juni 2005. De schoolopziener zal een 30 minuten durend overzicht leiden gebaseerd op de stof die in toewijzingen is behandeld in de weken van 2 mei tot en met 27 juni 2005. [Opmerking: Als er achter de vraag geen verwijzing staat, zul je zelf nazoekwerk moeten doen om de antwoorden te vinden. — Zie Bedieningsschool-boek, blz. 36, 37.]
SPREEKHOEDANIGHEDEN
1. Waarom zijn vergelijkingen en metaforen krachtige onderwijshulpmiddelen? (Gen. 22:17; Ps. 1:3; Jak. 3:6) [be blz. 240 §2-4, kader]
2. Waar kunnen we voorbeelden vinden die waardevolle lessen bevatten, maar waarmee moeten we in dit verband voorzichtig zijn? [be blz. 242 §1, 2]
3. Wat moeten we in gedachte houden om te kunnen bepalen welke illustraties het effectiefst zullen zijn? [be blz. 244 §1, 2]
4. Waarom is het goed in ons onderwijs visuele hulpmiddelen te gebruiken, en hoe heeft Jehovah dat gedaan? [be blz. 247 §1, 2, kader]
5. Hoe kunnen we in de velddienst visuele hulpmiddelen gebruiken? [be blz. 248 §1–blz. 249 §2]
TOEWIJZING 1
6. Welke richtlijnen staan er in Gods Woord in verband met onderwijs voor kinderen? [w03 15/3 blz. 12 §2; blz. 14 §3]
7. Hoe toonde Jehovah belangstelling voor David toen die nog jong was, en hoe toonde David belangstelling voor Jehovah? [w03 15/4 blz. 29 §3; blz. 30 §3]
8. Waarom nam Jehovah nota van Abels offer, en waarvan kunnen we dan ook zeker zijn? (Gen. 4:4) [w03 1/5 blz. 28 §4–blz. 29 §1]
9. Wat is „het strenge onderricht van Jehovah” dat we volgens Spreuken 3:11 niet moeten verwerpen? [w03 1/10 blz. 20 §2-4]
10. Wat wordt er bedoeld met de ’tevredenheid’ waarover, volgens de voetnoot, in 1 Timotheüs 6:6-8 gesproken wordt? [w03 1/6 blz. 9 §1, 2; blz. 10 §1]
WEKELIJKS BIJBELLEESPROGRAMMA
11. Wat wordt door de band van eenheid en liefde tussen Jonathan en David afgeschaduwd? (2 Sam. 1:26) [w89 1/1 blz. 26 §13]
12. Wat kunnen we leren van Davids eerste poging om de ark van het verbond naar Jeruzalem te brengen? (2 Sam. 6:2-9)
13. In Deuteronomium 24:16 en Ezechiël 18:20 staat dat een zoon niet voor de dwaling van zijn vader dient te sterven. Waarom had de zonde van David en Bathseba dan tot gevolg dat hun zoon moest sterven? (2 Sam. 12:14; 22:31)
14. Hoe weten we dat Ziba’s bewering over Mefiboseth een leugen was? (2 Sam. 16:1-4)
15. Waarom is Mefiboseths reactie op zijn probleem met Ziba een mooi voorbeeld voor ons? (2 Sam. 19:24-30)