Overzicht voor de theocratische bedieningsschool
De volgende vragen zullen mondeling worden besproken tijdens de theocratische bedieningsschool in de week van 25 oktober 2004. De schoolopziener zal een 30 minuten durend overzicht leiden gebaseerd op de stof die in toewijzingen is behandeld in de weken van 6 september tot en met 25 oktober 2004. [Opmerking: Als er achter de vraag geen verwijzing staat, zul je zelf nazoekwerk moeten doen om de antwoorden te vinden. — Zie Bedieningsschool-boek, blz. 36, 37.]
SPREEKHOEDANIGHEDEN
1. Hoe kunnen we de toon positief houden in een lezing over een bepaald facet van onze christelijke activiteit? [be blz. 203 §3, 4]
2. Wat is herhaling, en waarom is het belangrijk? [be blz. 206 §1-4]
3. Hoe kunnen we het thema van onze lezingen benadrukken? [be blz. 210 §1-5, kader]
4. Hoe kunnen we bepalen wat de hoofdpunten zijn van een lezing die we moeten houden? [be blz. 212 §1-4]
5. Waarom moeten we oppassen voor te veel hoofdpunten? [be blz. 213 §2-4]
TOEWIJZING NR. 1
6. Welke ontwikkelingen vóór de Vloed kunnen het voor mensen moeilijk hebben gemaakt te geloven dat alles om hen heen zou eindigen? [w02 1/3 blz. 5, 6]
7. Waarom is het bijzonder dat Jezus’ tijdgenoten hem niet als „Geneesheer” aanspraken maar als „Leraar”? (Luk. 3:12; 7:40) [w02 1/5 blz. 4 §3; blz. 6 §5]
8. Hoe laat Spreuken 11:24, 25 uitkomen dat het waardevol is een intensief aandeel aan de velddienst te hebben? [w02 15/7 blz. 30 §3-5]
9. Welk morele strijdpunt werd door de opstand in Eden opgeworpen, en wat zijn de resultaten van deze opstand geweest? (Gen. 3:1-6) [w02 1/10 blz. 5 §6; blz. 6 §2, 3]
10. Hoe wordt de datum van het herstel van de ware aanbidding in Jeruzalem vastgesteld? [si blz. 285 §5]
WEKELIJKS BIJBELLEESPROGRAMMA
11. Waarom was Jehovah kwaad toen Bileam met Balaks mannen meeging, terwijl Hij Bileam had opgedragen dat te doen? (Num. 22:20-22)
12. Kan de man van een christelijke vrouw haar geloften ongedaan maken? (Num. 30:6-8)
13. Wat beelden de „toevluchtssteden” in deze tijd af? (Num. 35:6) [w95 15/11 blz. 17 §8]
14. Moet het gebod in Deuteronomium 6:6-9 om ’Gods wet op de hand en als een voorhoofdsband op het hoofd te binden’ letterlijk worden opgevat?
15. Betekent de uitdrukking „uw mantel is aan u niet versleten” alleen maar dat de kleding van de Israëlieten werd aangevuld? (Deut. 8:4)