Blijf nog doeltreffender het goede nieuws verkondigen — Door zorg te dragen voor het bewerkte veld
1 Gedurende de afgelopen vijf maanden is er aandacht besteed aan de mogelijkheden om onze prediking van het goede nieuws nog doeltreffender te maken, gebaseerd op de aanmoediging in 1 Korinthiërs 3:5-9. Die vijf artikelen hebben hoofdzakelijk de aandacht gevestigd op het ’planten’, in het bijzonder van huis tot huis. Onontbeerlijk voor groei is echter ook het ’begieten’ van wat gezaaid is, door degenen die belangstelling hebben getoond weer te bezoeken, ten einde het ontkiemen van het zaad en de verdere groei ervan te stimuleren.
2 Het inzaaien van letterlijke gewassen wordt doorgaans door mensen gedaan. Maar de landbouwer is in zulke gevallen afhankelijk van regen die door Jehovah op zijn bestemde tijd wordt gezonden (Jak. 5:7; Deut. 11:13, 14). Bij het inzaaien van het „woord” is het begieten ervan de taak van degene die ook gezaaid heeft. Lees in dit verband 1 Korinthiërs 3:6-8. Dit noemen wij het nabezoekwerk. In beide gevallen is het behalen van resultaten verbonden aan dezelfde deugd, namelijk: geduld. — Matth. 13:23; Hebr. 6:11, 12; Jak. 1:21.
3 Wanneer wij in de dienst uittrekken, hebben wij niet slechts in gedachten daar twee of drie uur aan te besteden. En wanneer wij uit de dienst terugkeren, spreken wij niet alleen over de hoeveelheid lectuur die wij hebben verspreid, hoewel dat ons veel vreugde kan schenken. Wij hebben belangstelling voor mensen en zoeken naar degenen die geneigd zijn de waarheid te aanvaarden. Sommige huisbewoners willen misschien niet eens lectuur nemen, maar zij laten zich waarderend uit over het werk dat Jehovah’s Getuigen doen en tonen enige belangstelling voor de boodschap die wij brengen. Door zulke personen herhaaldelijk te bezoeken, kunnen wij hen er misschien van overtuigen dat er een reële hoop bestaat.
4 Oprechte belangstelling dient alle getuigen van Jehovah ertoe aan te zetten de interesse die wordt aangetroffen, verder te behartigen. De meesten van ons doen waarschijnlijk enig nabezoekwerk. Maar soms gaan er wel één of twee maanden voorbij voordat wij weer teruggaan. Wanneer wij belangstelling aantreffen, willen wij natuurlijk niet slechts de naam en het adres van de persoon noteren, om vervolgens het bericht in onze tas te stoppen en het verder te vergeten. Wij dienen intense, persoonlijke belangstelling voor zulke huisbewoners te hebben en hun de nodige hulp te bieden. Door doelbewust zo snel mogelijk terug te gaan ten einde het bijbelse gesprek met de geïnteresseerde persoon voort te zetten, kun je „het ijzer smeden als het heet is” en de belangstelling vergroten voordat tegenstanders de tijd of de gelegenheid hebben gehad deze te doven.
5 Het kan best zijn dat het gezaaide zaad pas vele maanden of zelfs jaren later werkelijk gaat groeien. Wellicht gebeurt er iets in het leven van die persoon, in de buurt of in zijn kerk, waardoor hij over de dingen die hij ziet, begint te „zuchten en kermen” (Ezech. 9:4). Dit kan hem ontvankelijker voor de Koninkrijksboodschap maken, zodat hij, wanneer je hem nu bezoekt, bereid is om te luisteren. Een levendige belangstelling voor de mensen in ons gebied zal ons volhardend maken in het brengen van nabezoeken, waarbij wij beseffen dat de omstandigheden in iemands leven een verandering in zijn houding teweeg kunnen brengen, waardoor het voor ons mogelijk wordt gemaakt hem op de weg tot redding te helpen.
6 Er wordt in ons gebied heel wat verspreid; gedurende het dienstjaar 1986 waren dit 3.096.670 stuks lectuur. Ook werden er 1.422.281 nabezoeken gebracht, een toename van 3,4% vergeleken bij het jaar daarvoor. Het aantal bijbelstudies steeg van gemiddeld 8426 in 1985 tot 8947 in 1986. In de afgelopen maand november is het aantal studies verder gestegen tot 9472. Vertegenwoordigt dit totaal het maximum dat wij ieder afzonderlijk kunnen presteren? Of zouden wij met wat extra aandacht en inspanning nog meer en nog doeltreffender nabezoeken kunnen brengen, met verheugende groei in de vorm van bijbelstudies en uiteindelijk nieuwe discipelen?
7 Hoe staat het echter met degenen die eens zelf de vreugde van het ’planten’ en ’begieten’ hebben gesmaakt, maar inactief zijn geworden? Misschien is dit gebeurd wegens de toenemende last van de zorgen des levens. Of mogelijk heeft de invloed van slechte omgang hen verhinderd actief te blijven. Ook kan irritatie over de een of andere kwestie hen ertoe gebracht hebben zich terughoudend op te stellen. Hetzij bewust of onbewust vonden zij de omgeving in Jehovah’s geestelijke huisgezin te strikt of te beperkend. Kunnen wij ook „terugkeren” naar deze broeders en zusters van ons „om te zien hoe zij het maken”? — Hand. 15:36.
8 Tegen zijn uitverkoren volk in de oudheid zei Jehovah: „Ik wil u werkelijk helpen” (Jes. 41:10). Het is een voorrecht om ook in dit opzicht Jehovah’s persoonlijkheid te mogen weerspiegelen. In een aantal interviews met Getuigen die eens inactief waren geworden maar zich later weer hadden hersteld, zeiden de meesten dat zij geregelde hulp nodig hadden. Ouderlingen en andere gemeenteleden zullen alleszins bereid zijn die hulp, vaak in de vorm van een bijbelstudie, te geven ten einde hen te doen ’terugkeren tot de herder en opziener van hun zielen’ (1 Petr. 2:25). Daarna zullen ook zij weer samen met ons op vreugdevolle wijze zorg kunnen dragen voor het bewerkte veld.