Blijf nog doeltreffender het goede nieuws verkondigen — Bij hen die niet meer bezocht willen worden
1 Tijdens vrijwel elke velddienstbijeenkomst wordt bij het uitdelen van het gebied ook melding gemaakt van de adressen van hen die niet meer bezocht willen worden. Deze noodzakelijke handeling valt door de manier waarop ze wordt verricht, nogal eens wat negatief of ontmoedigend uit, zo net aan het begin van een fijne periode van velddienst. Het verdient daarom aanbeveling om het uitdelen van zulke adressen zo onopvallend mogelijk te doen. Als de raad om het gebied met heel kleine groepjes te bewerken werkelijk goed wordt doorgevoerd, kan degene die het gebied heeft gemakkelijk heel onopvallend op weg naar het gebied of naar behoefte tijdens het bewerken ervan, die adressen meedelen of uitreiken. Maar behalve dit detail willen wij nog meer over deze aangelegenheid zeggen.
2 Het is juist om de wensen van huisbewoners te respecteren (1 Petr. 2:17; Rom. 12:17, 18). Zelden treffen wij iemand die gewelddadig is; een enkele zal met bedreigingen zijn wensen kenbaar maken. Anderen verzoeken dringend of Jehovah’s Getuigen niet meer bij hen willen aanbellen. Zulke verzoeken dienen wij te respecteren. Het zou niet juist zijn om te doen alsof er niets aan de hand is; wij dienen er juist zorgvuldig op toe te zien dat zulke huisbewoners niet onnodig worden geïrriteerd door bij hen aan te bellen.
3 Als het nodig wordt geacht iemands adres in die zin op te schrijven, moeten wij aan bepaalde dingen denken. Wij dienen zorgvuldig de naam van de huisbewoner te noteren alsmede de datum van zijn verzoek. Ook dient de specifieke aard van het probleem of het bezwaar te worden vermeld. Deze gegevens dienen in de gebiedsenvelop te worden bewaard.
4 Van tijd tot tijd zien wij briefjes op de deur geplakt met een mededeling zoals: „Aan de deur wordt niet gekocht”. Je kunt dan gerust aanbellen, je als een van Jehovah’s Getuigen identificeren en van het standpunt uitgaan dat zulke bordjes of stickers niet op ons werk van toepassing zijn. Wanneer op een bordje specifiek wordt vermeld dat religieuze groeperingen of Jehovah’s Getuigen niet dienen aan te bellen, zou het goed zijn persoonlijk met de huisbewoner te spreken, aangezien de vorige bewoner het bordje opgehangen kan hebben of de huisbewoner een verandering van hart kan hebben ondergaan. Het is wel eens gebeurd dat een huisbewoner opmerkte: „O, de vorige bewoner heeft dat briefje opgeplakt, maar ik vond het wel gemakkelijk!” Indien de huisbewoner echter bij zijn standpunt blijft en ons mondeling meedeelt dat hij niet meer bezocht wenst te worden, dan zullen wij dit respecteren zoals hierboven is uiteengezet.
5 Het is echter goed nog bij het volgende stil te staan. Soms maken wij snel de gevolgtrekking dat een bepaald adres genoteerd moet worden enkel omdat iemand van streek of een beetje boos is vanwege het feit dat wij op een ongelegen tijdstip hebben aangebeld. Dit blijkt uit diverse ervaringen.
6 Een jong gezin maakte een moeilijke periode door waarin zij enige dagen bijna geen slaap kregen. Net toen zij eindelijk wat konden slapen, werd er door een verkondiger gebeld. De man werd woedend en joeg de verkondiger van de deur. Een hele tijd kwam er niemand meer aan die deur. Gelukkig kreeg het gezin contact met de waarheid via een familielid, en nu dienen zij Jehovah. In een andere stad was een vrouw die net een huwelijkscrisis doormaakte zo ten einde raad, dat een verkondiger die toen belde, hevig werd uitgescholden en werd geboden er nooit meer te bellen. Toen een andere verkondiger vergat adressen waar niet gebeld mocht worden te noteren, bleek dat deze vrouw veel belangstelling toonde en werd er een studie opgericht.
7 Het noteren van adressen die niet meer bezocht willen worden, is natuurlijk niet het einde van de zaak, want (1) mensen verhuizen van tijd tot tijd en (2) er kan ook een verandering van hart plaatsvinden. Door middel van periodieke bezoeken door bekwame verkondigers die voor dit doel zijn aangewezen, kan worden vastgesteld of de persoon er nog woont en of er een verandering van hart of denkwijze heeft plaatsgevonden. De dienstopziener en ook andere ouderlingen zouden met de bedoelde verkondigers kunnen overleggen welke aanpak het beste schijnt te zijn in bepaalde gevallen.
8 Wij dienen de mogelijkheid onder de ogen te zien dat onze manier van prediken er in bepaalde gevallen wellicht toe heeft bijgedragen dat enkele mensen ons niet meer aan de deur willen hebben. De instelling om dwars door een serie „Nee’s” heen door te gaan met ons toespraakje alleen maar omdat wij ons hebben voorgenomen het ondanks alles tot een eind te brengen, kan mensen die uit beleefdheid de deur niet dichtgooien, onnodig irriteren. Voor zover het van ons afhangt, dienen wij ernaar te streven niet toe te laten dat een dichtvallende deur ons getuigenis beëindigt, doch de situatie vroeg genoeg te onderkennen en het gesprek uit onszelf te beëindigen en met een vriendelijke groet afscheid te nemen. Ook hebben wij mensen misschien wel eens onnodig geïrriteerd door in grote groepen het gebied als het ware te overvallen, of door gedrag dat in andere opzichten niet helemaal aanbevelenswaardig was.
9 Met dit in gedachten kunnen verkondigers die de taak krijgen zulke adressen te bezoeken, wellicht een zinnige poging doen om bij een aantal van degenen die niet willen dat wij bij hen aanbellen, het zover te krijgen dat men er anders over gaat denken. Door gebruik te maken van een grote dosis tact, consideratie en medeleven, zou bij verscheidene mensen wel eens een verandering van hart kunnen worden bewerkstelligd. Dit, gevoegd bij de adressen die afvallen van de lijst omdat de huisbewoners verhuisd zijn, zal ons in staat stellen het goede nieuws nog doeltreffender te blijven verkondigen. — Kol. 4:6; Tit. 2:8; 1 Petr. 2:12.