Hoe verwelkomen wij hen die wij lang niet in ons midden hebben gezien?
1 In een grote familie zoals wij allen als getuigen van Jehovah vormen, is het bedroevend als enkelen van ons door allerlei redenen wegblijven. Soms kunnen we zelfs heel erg ongerust zijn omdat zij niet actief met ons op de weg der waarheid blijven wandelen. Zij weten toch waar het toe leidt als zij omgang met de gemeente verruilen voor omgang met de wereld?
2 Het Besturend Lichaam is er ook bedroefd over dat in ons land in de loop der jaren duizenden broeders en zusters ermee zijn opgehouden Jehovah in het openbaar te loven voor al zijn liefderijke goedheid en tedere zorg voor de gevallen mensheid. Doch niet alleen in ons land zijn velen er door allerlei omstandigheden toe gebracht om te zwijgen over het „goede nieuws” dat hen eens zo gelukkig maakte. Over de gehele wereld dient een leger van bedrogenen tot Gods organisatie te worden teruggebracht. En Jehovah schenkt ons die actief zijn gebleven, het grote voorrecht deze in wezen diep ongelukkige broeders en zusters namens hem toe te roepen: „’Ik ben Jehovah; ik ben niet veranderd. . . . Keert tot mij terug, en ik zal stellig tot u terugkeren’.” — Mal. 3:6, 7.
3 Overal op aarde zullen de door Jehovah’s geest aangestelde ouderlingen alle broeders en zusters die niet meer met de gemeente verbonden zijn, gaan opzoeken om vast te stellen wat er voor hen gedaan kan worden. In vele gevallen zal aan ervaren verkondigers gevraagd worden om weer een bijbelstudie met deze geestelijk verzwakte broeders en zusters te gaan leiden. Wat een voorrecht als de ouderlingen jou vragen dat te gaan doen!
4 Toen „de verloren zoon” in Jezus’ gelijkenis naar huis terugkwam, reageerde de vader compleet anders dan de oudste zoon. De vader „snelde op hem toe en viel hem om de hals en kuste hem teder”. Diep medelijden met zijn verzwakte zoon en grote vreugde over diens terugkeer deed de vader zo handelen. De oudste zoon „werd toornig en wilde niet naar binnen gaan”. Hij had er geen behoefte aan om zijn weggelopen broer met zoveel vreugdebetoon te omringen. Hij zei tegen zijn vader: „Denk eens aan, ik heb u al zoveel jaren als slaaf gediend en heb nog nooit uw gebod overtreden, en toch hebt gij mij nog nooit een geitebokje gegeven opdat ik met mijn vrienden vrolijk kon zijn. Maar zodra deze zoon van u is gekomen, die uw middelen voor levensonderhoud heeft opgegeten met de hoeren, hebt gij de gemeste jonge stier voor hem geslacht.” Zo mogen wij als liefdevolle christenen, die zelf zo overvloedig Gods liefde hebben ontvangen, natuurlijk niet reageren. Wij mogen natuurlijk nooit denken: „Wij hebben al die jaren hard doorgewerkt in de velddienst. Zij hebben feitelijk niets gedaan en als zij terugkomen, is de gemeente blijer met hen dan met ons die God getrouw als slaven hebben gediend.” Dat die redenatie niet juist is, toont wat de vader van „de verloren zoon” zegt.
5 Vol liefde voor beide zoons zegt de vader: „Kind, gij zijt altijd bij mij geweest, en alles wat van mij is, is van u; maar wij moesten wel vrolijk zijn en ons verheugen, want deze broer van u was dood, maar is tot leven gekomen, en hij was verloren, maar is gevonden” (Luk. 15:11-32). En zo is het ook nu. Wij die ijverig met de prediking zijn doorgegaan, hebben Gods zegeningen ondervonden en zijn bewaard voor al het verdriet en de beschadigingen die zij die langere tijd inactief in Gods dienst zijn geweest, misschien wel hebben opgelopen. Herinneren wij ons welk medelijden in de vader opwelde toen hij de desolate toestand opmerkte van zijn naar huis terugkerende zoon? Kunnen wij niet dezelfde gevoelens koesteren voor hen die naar de gemeente terugkeren om door ons allen geholpen te worden weer een gelukkige dienstknecht van Jehovah te worden?
6 De komende tijd kunnen wij dus veel vreugde verwachten als overal broeders en zusters die lang weg zijn gebleven, met onze tedere hulp weer in ons midden worden gebracht. Evenals Jehovah verwijten wij hen niets. Jehovah zegt hetzelfde tegen hen als tegen het volk Israël in Jesaja’s dagen: „Komt nu, en laten wij de zaken rechtzetten tussen ons . . . Al zouden de zonden van ulieden als scharlaken blijken te zijn, ze zullen zo wit worden gemaakt als sneeuw . . . Indien gij u gewillig betoont en werkelijk luistert, zult gij het goede van het land eten.” — Jes. 1:18, 19.