Het goede nieuws aanbieden — Help je jongeren er een aandeel aan te hebben?
1 Wij waarderen het dat er veel jongeren met ons verbonden zijn. Sommigen van hen zijn misschien jouw kinderen. Studeer je met hen? Help je hun hart te vormen zodat zij Jehovah liefhebben en er vreugde in scheppen een aandeel te hebben aan zijn dienst? Neem jij met je kinderen aan de velddienst deel? Wij moedigen je hiertoe aan in de geest van hetgeen in Deuteronomium 6:6, 7 staat opgetekend.
2 Wanneer je met je kinderen aan het predikingswerk deelneemt of als andere jongeren met je meegaan, zie je er dan op toe dat ze een aandeel aan de dienst hebben? Vaak lopen kinderen alleen maar mee, hebben weinig of niets te zeggen en worden ongedurig. Wat kun je doen om ervoor te zorgen dat zij persoonlijk aan de velddienst deelnemen? Ook zij willen Jehovah dienen en het is dus nodig dat zij een aandeel aan het openbare predikingswerk hebben.
3 Dikwijls kunnen zelfs heel jonge kinderen een aandeel hebben door niet alleen een strooibiljet aan de huisbewoner te overhandigen, maar door de mensen tevens te vertellen waar de Koninkrijkszaal is en wanneer de vergaderingen worden gehouden. Zij zouden hen dan misschien kunnen laten weten dat zij van harte welkom zijn. Zouden de jonge kinderen die met jou in het veld samenwerken, dit kunnen?
4 Velen betrekken de jongeren bij de velddienst door hen tijdens de aanbieding een schriftplaats te laten lezen. Eén broeder zegt tegen de huisbewoner: „Ik leid Peter in dit bijbelse onderwijzingswerk op en als u het goedvindt, zou ik hem willen vragen het vers in . . . te lezen. Peter zou je het ons alsjeblieft willen voorlezen?” Naarmate de jonge verkondiger vorderingen maakt, stelt de oudere broeder hem een of twee vragen over het vers dat hij gelezen heeft ten einde de hoofdgedachte(n) te laten uitkomen. Dan wendt hij zich weer tot de huisbewoner en zet het gesprek voort. Op deze wijze betrekt de broeder kinderen bij de gesprekken aan de deur. Zoals jullie kunnen begrijpen maakt dit het werk veel vreugdevoller voor hen aangezien zij er zelf zo een aandeel aan hebben. Heel vaak geven mensen te kennen dat zij vinden dat zulke jonge kinderen zich zo goed uitdrukken.
5 Vaak hebben jonge broertjes en zusjes die in de velddienst gaan, een doeltreffend toespraakje voorbereid en geoefend maar hebben zij er moeite mee het gesprek te beginnen. Misschien zou je hen hierbij kunnen helpen. Eén broeder neemt de inleiding voor zijn rekening door de huisbewoner te begroeten en te zeggen: „Wij hebben een aanmoedigende gedachte uit de bijbel die wij graag met u willen delen, maar Wim en ik doen om beurten het woord en dit is zijn beurt om uit te leggen wat wij aan het doen zijn. Als u een minuutje heeft, dan geloof ik dat u ervan zult genieten. Wim . . .” Een andere broeder zegt: „Goedendag. Mijn naam is . . . en ik leid deze jongeman op in de christelijke dienst. Hij zou u graag willen uitleggen waarom wij hebben aangebeld.” En als de huisbewoner het te druk heeft om te praten, dan kun je natuurlijk altijd zeggen: „Aangezien het niet gelegen komt om nu even te praten, heeft Wim iets bij zich dat hij graag zou willen geven voordat wij weggaan.” Dit zal vaak gelegenheid geven voor een korte toelichting bij het strooibiljet, traktaat of een andere kleine publikatie.
6 Eén huisbewoner zei: „Ik heb werkelijk bewondering voor de manier waarop jullie je kinderen opleiden en erbij betrekken. Ik geniet altijd van hun bezoekjes aan mijn huis.” Leid jij je kinderen in de velddienst op? En wanneer je in de velddienst met je kinderen of met anderen samenwerkt, zie je er dan op toe dat zij er een aandeel aan hebben? Wij moedigen jullie aan dit te doen. Ook zij moeten ’een openbare bekendmaking van hun geloof doen tot redding’ (Rom. 10:10). En hoe fijn zou het zijn als zij, wanneer zij ouder worden, net als de psalmist kunnen zeggen: „O God, gij hebt mij onderwezen vanaf mijn jeugd, en tot nu toe blijf ik over uw wonderwerken vertellen.” — Ps. 71:17.