Wat kunnen wij voor hen doen?
1 Iedere dienstknecht van Jehovah kent momenten van ontmoediging. Vermoeidheid, diepe teleurstelling en zware geestelijke druk kunnen soms bijna alle vreugde in de waarheid wegroven. Zelfs mannen als Elia, Johannes de Doper en Paulus maakten kennis met gevoelens van terneergeslagen zijn (1 Kon. 19:1-4; Matth. 11:2, 3; 2 Kor. 1:8, 9). Zelfs alle discipelen lieten Jezus na zijn arrestatie in de steek, al was het dan ook maar tijdelijk (Matth. 26:56). Al die broeders beleefden toch enkel maar een tijdelijke inzinking, want na het ontvangen van goddelijke hulp veerden zij weer geheel op. Sommigen van ons zijn echter zelfs daartoe niet in staat en omdat wij hen van harte liefhebben vragen velen zich af: Wat kunnen wij voor hen doen?
2 Wie zou hen die in geestelijke nood verkeren nu het beste kunnen helpen? Is het niet onze liefdevolle hemelse Vader, die overeenkomstig Psalm 34:18 ’nabij de gebrokenen van hart is’? Bidden wij wel voldoende en oprecht voor hen die ’twijfelen’? (Judas 22) Zelfs Paulus vroeg zijn medegelovigen meermaals om voor hem te bidden (1 Thess. 5:25; Hebr. 13:18, 19). Er staat Immers in Gods Woord dat ’de smeking van een rechtvaardige veel kracht heeft’. — Jak. 5:16.
3 Het is verwonderlijk wat echte vriendschap en diepe liefde kunnen doen voor medegelovigen in nood. Hun hart is gewond en ’balsem uit Gilead’, zoals ons lied 97 op basis van Jeremia 8 vers 22 zo treffend bezingt, kan hen helpen. Een troostend gebaar, het zonder enige ophef schenken van werkelijke hulp en het zonder verwijten stil kunnen luisteren naar losbrekend verdriet kan zoveel betekenen voor iemand die geen uitkomst ziet. Schroom daarom niet naar een broeder of zuster te gaan die je al een tijdje niet in de Koninkrijkszaal of velddienst hebt gezien. Liefde vraagt niet veel doch geeft zichzelf edelmoedig.
4 Soms kan een wankelmoedige terechtkomen in de greep van een demon die vals-religieuze denkbeelden influistert. Als men door allerlei omstandigheden een tijdje niet gestudeerd heeft, weinig christelijke omgang heeft gehad en zelfs misschien verslapt is in gebeden dan is er niet veel van een krachtige, geestelijke wapenrusting overgebleven, nietwaar? Dan kan een listig gebrachte gedachte of leerstelling niet als een ’brandend projectiel’ worden afgeweerd, het blijft in de reeds ontmoedigde geest rondspoken (Ef. 6:16). Wat kan dan een duidelijke redenatie aan de hand van Gods Woord veel doen! Het is alsof het licht weer gaat schijnen (2 Kor. 4:6). Help elkaar dus een vaste greep op het Woord van God te houden of te verkrijgen. Niets kan ons in deze tijd van geestelijke afmatting beter helpen. Geen grotere troost is er te vinden dan de zekerheid dat binnenkort dit goddeloze systeem wat zoveel verdriet gebracht heeft, plaats zal moeten maken voor een wereld zonder angst, pijn of verdriet. Mogen wij als opgedragen christenen elkaar toch altijd met die gedachte sterken.