Brief van het bijkantoor
Geliefde Koninkrijksverkondigers,
In deze „tijd van het einde” valt het te verwachten dat de tegenstand tegen de Koninkrijksboodschap en de bekendmakers ervan zal toenemen. Dit is in overeenstemming met Jezus’ profetie dat „de mensen de handen aan u [zullen] slaan en u [zullen] vervolgen” en dat „gij . . . om mijn naam voorwerpen van haat [zult] zijn voor alle mensen”. Dit alles, zo zei Jezus, „zal voor u uitlopen op een getuigenis”. — Luk. 21:12-19.
Met het oog op Jezus’ woorden is het niet verwonderlijk dat het christelijke werk van Jehovah’s Getuigen nu in meer dan veertig landen aan banden is gelegd. En de lijst wordt steeds langer. In april 1976 was het Benin. Vervolgens werd in augustus een zelfde gedragslijn gevolgd door Argentinië en de Centraal-Afrikaanse Republiek. Op 23 december verbood Indonesië het werk van Jehovah’s Getuigen. De protestantse afdeling van het ministerie van religie aldaar heeft hier, met steun van de plaatselijke geestelijkheid in verschillende gebieden, lang voor geageerd. In januari 1977 vaardigde Congo een verbodsbepaling uit.
Onze broeders in al deze landen, en ook elders, zijn zeer moedig onder deze acties en blijven al het mogelijke doen om getuigenis omtrent het Koninkrijk te geven. Het is goed om voor hen te bidden. Nu de vijandelijke strijdkrachten over de gehele aarde zich steeds meer gereedmaken voor de aanval, kunnen wij allen moed vatten uit Jezus’ belofte: „Als nu deze dingen beginnen te geschieden, richt u dan rechtop en heft uw hoofd omhoog, omdat uw bevrijding nabijkomt.” — Luk. 21:28.
Zoals in Matthéüs hoofdstuk tien opgetekend staat, gaf Jezus ook aanmoedigende raad aan degenen die het hoofd moeten bieden aan tegenstand. Of die tegenstand nu komt van de zijde van familie of vrienden, van mensen in het gebied of van regeringswege, wij willen ons loyaal betonen aan Jehovah en zijn koninkrijk, en getrouw volharden in ons voorrecht Hem te vertegenwoordigen.
Jullie broeders op het
BIJKANTOOR IN AMSTERDAM