Het goede nieuws aanbieden — Nieuwelingen en onervarenen helpen de bijbel te gebruiken
1 Wat is het geweldig te zien dat duizenden nieuwe verkondigers ons ondersteunen bij de levensbelangrijke Koninkrijksprediking. Zij hebben echter allen richtlijnen nodig om doeltreffende verkondigers van het „goede nieuws” te worden. Jezus Christus heeft ons het voorbeeld gesteld in het geven van richtlijnen aan zijn discipelen. Toen hij de zeventig evangeliepredikers uitzond, zei hij: „Waar gij ook een huis binnengaat, zegt eerst: ’Vrede zij over dit huis.’ En als gij ergens een stad binnengaat en men u ontvangt, . . . blijft hun zeggen: ’Het koninkrijk Gods is nabij u gekomen.’” — Luk. 10:5, 8, 9.
2 Velen van degenen die thans aan het predikingswerk deelnemen, zijn heel vaardig geworden in het verspreiden van tijdschriften. Anderen bereiken, naast gebruikmaking van de tijdschriften, uitstekende resultaten door ’met de mensen aan de hand van de Schriften te redeneren’. (Vergelijk Handelingen 17:2-4.) Wat zou het fijn zijn als meer verkondigers geholpen zouden kunnen worden de bijbel op een dergelijke wijze te gebruiken!
3 Degenen die bijbelstudies leiden, zijn in de gelegenheid hun leerlingen direct vanaf het begin te helpen bedreven te worden in het gebruik van het Woord van God. De leerling zal erdoor aangemoedigd worden datgene wat hij heeft geleerd, te gebruiken. In het derde hoofdstuk van het Waarheid-boek („Wie is God?”) wordt bijvoorbeeld de mogelijkheid geopperd dat de studieleider zou kunnen vragen: ’Hoe zou u een vriend duidelijk maken dat er geen Drieëenheid bestaat? Welke schriftplaatsen zou u hem voorlezen?’ Na de studie zou de studieleider de leerling kunnen vragen hem aan de hand van de bijbel duidelijk te maken wie God is. Indien de leerling stap voor stap geholpen wordt het geleerde te gebruiken, zal hij tot op zekere hoogte gebruik van de bijbel weten te maken wanneer hij er werkelijk een begin mee maakt aan de velddienst deel te nemen. Hij zal hetgeen hij gelooft, kunnen verklaren en zijn argumentatie kunnen opbouwen. Als hij dan met ervaren verkondigers samenwerkt, zal hij vorderingen blijven maken, terwijl hij zelfs na zijn doop van hun voorbeeld en suggesties voordeel zal blijven trekken.
4 Ouders zijn over het algemeen het beste in de gelegenheid hun kinderen te helpen. Een deel van de periode die voor gezinsstudie wordt gebruikt, zou besteed kunnen worden aan oefening met de kinderen in het gebruik van de bijbel. Wanneer er problemen worden besproken die zich op school hebben voorgedaan, zouden ouders hun kinderen kunnen vragen vanuit de bijbel aan te tonen waarom zij dat standpunt innemen. Jongeren zou ook de opdracht gegeven kunnen worden de aanpak van specifieke tegenwerpingen die vaak in het gebied voorkomen, uit te werken. Zodra er tijdens de bijbelstudie goede velddienstpunten naar voren komen, kunnen ouders daar de aandacht op vestigen.
5 Insgelijks zijn boekstudieleiders in de gelegenheid de verkondigers in hun groepje te helpen vorderingen te maken in het gebruik van Gods Woord. Zij zouden er met de velddienstopziener over kunnen spreken wie er volgens hem hulp nodig hebben en wat er ten behoeve van hen gedaan zou kunnen worden. Indien sommigen, ook al zijn zij reeds lang met de gemeente verbonden, in de velddienst alleen maar tijdschriften aanbieden, zullen zij dan niet aangemoedigd worden als zij hun bekwaamheid in het gebruik van de bijbel vergroten? Zouden zij niet geholpen kunnen worden een aanbieding op te stellen die gebaseerd is op één of twee schriftplaatsen waarmee zij vertrouwd zijn? Zij zullen er veel profijt van trekken in de velddienst met de studieleider of een andere verkondiger die een goed gebruik van de bijbel weet te maken, samen te werken. Tijdens de bespreking op de boekstudie zou de studieleider terloops in het kort kunnen tonen hoe een bepaalde schriftplaats in de velddienst gebruikt kan worden.
6 Wat een zegen zal het voor de mensen in het gebied zijn wanneer de Schrift aan hen wordt uitgelegd! Als wij ernaar streven aan de hand van de Schrift te redeneren, zullen wij oprechte personen helpen de waarde van het bestuderen van Gods Woord in te zien. Is dat niet een wenselijk doel?