Het goede nieuws aanbieden — Zonder vooroordeel
1 Alle mensen hebben er recht op het „goede nieuws” te horen. Jezus Christus stierf niet slechts voor enkelen, maar „voor allen” (2 Kor. 5:14). Wij dienen er daarom voor op te passen dat wij geen vooroordeel jegens mensen aan de dag leggen, door te denken dat het tijdverspilling is hen opnieuw te bezoeken.
2 Het is waar dat er mensen zijn die wellicht alleen bij wijze van vriendelijk gebaar lectuur nemen. Maar ongeacht de houding die zij misschien tijdens ons eerste bezoek aan de dag leggen, is het echter zo dat wij de neigingen van hun hart niet kennen en evenmin kunnen wij er zeker van zijn welke uitwerking de lectuur mogelijk op hen zal hebben. Wij hebben de persoon in kwestie misschien slechts één keer gezien en gesproken. Zou het dus niet bedroevend zijn als ons vooroordeel er de oorzaak van was dat iemand waardevolle tijd verliest alvorens er een begin mee te maken de weg ten leven te gaan bewandelen?
3 Diepe bezorgdheid voor onze medemensen zal ons er ook toe brengen nota te nemen van mensen die enige belangstelling voor de bijbel tonen maar geen lectuur nemen. Als er enige belangstelling wordt getoond, kun je de basis leggen voor een nabezoek. Voordat je weg gaat, zou je kunnen zeggen dat je graag nog eens met de huisbewoner zou willen spreken ten einde nog meer punten uit de bijbel met hem te delen. Probeer te bepalen wat een goed onderwerp voor bespreking zou zijn wanneer je terugkomt. Je zou ook te weten te kunnen komen wanneer je het beste kunt terugkomen. Noteer, nadat je het huis verlaten hebt, die inlichtingen op je van-huis-tot-huisrapportje. Ter voorbereiding op je nabezoek, zou je schriftplaatsen uit Schema’s voor toespraakjes, een tijdschriftartikel of een hoofdstuk uit een van de boeken kunnen uitzoeken. Mogelijk moet je een aantal bezoeken brengen voordat je de belangstelling van de huisbewoner voldoende hebt opgewekt dat hij de bijbel met je wil bestuderen.
4 Hoewel wellicht niet al onze pogingen vrucht dragen, kunnen wij er zeker van blijven dat het Jehovah behaagt wanneer wij net zo bezorgd voor de mensheid zijn als hij. Bovendien gebeurt er soms iets dat wij totaal niet verwachten. Neem het geval van een vrouw op Martinique. Gedurende een periode van zo’n vier en een half jaar weigerde zij naar de Getuigen te luisteren. Toen een zuster die daar vaak was weggestuurd haar met een Koninkrijksnieuws-traktaat bezocht, zei de vrouw: „Ik heb u al zo vaak gezegd dat ik helemaal geen belangstelling heb.” De zuster antwoordde: „Ik kom u alleen maar dit traktaat brengen dat over de gehele wereld wordt verspreid. Het is heel belangrijk. Neemt u het alstublieft.” De vrouw nam het traktaat aan. Uit bezorgdheid voor deze ogenschijnlijke „tegenstandster”, verlangde de zuster te weten te komen welke uitwerking het traktaat op haar zou hebben gehad en ging zij twee weken later terug. Stel je haar vreugde eens voor toen de vrouw, na haar te hebben binnengenodigd, in een bijbelstudie toestemde. Nu is deze vrouw een ijverige verkondigster. Vaak zegt ze tegen de zuster: „Als ik het maar geweten had, zou ik de waarheid lang geleden al aanvaard hebben. Ik heb zoveel tijd verloren.”
5 Wij weten nooit wat er zich kan ontwikkelen. Bij het eerste bezoek is de reactie misschien niet erg enthousiast. Toch kan dat veranderen. Iets wat wij gezegd hebben, kan de huisbewoner aan het denken zetten, of een punt in de lectuur die wij hebben verspreid, kan zijn belangstelling verder opwekken. Onze oprechte, vriendelijke manier van doen kan indruk op hem maken. Veronachtzaming wegens vooroordeel van onze kant zou belangstelling evenwel kunnen doen verminderen.
6 Daarom hebben wij er goede reden voor om ijveriger dan ooit in ons nabezoekwerk te zijn en zo te tonen dat wij volledig in harmonie zijn met Jehovah’s wens dat „alle soorten van mensen worden gered en tot nauwkeurige kennis van de waarheid komen”. — 1 Tim. 2:4.
[Inzet op blz. 4]
Kun je iemand anders helpen door hem goed te doen?