Erover spreken helpt
1 Gods Woord zegt veel over een juist gebruik van de tong (Jak. 3:1-10). Hoewel veel situaties vereisen dat wij onze tong geheel en al van spreken weerhouden, is er beslist „een tijd om te spreken”, een tijd dat goed gekozen woorden „als gouden appels in zilver beeldsnijwerk” zijn (Pred. 3:7; Spr. 25:11). Een goed woord van de „tong van de wijzen is genezing” — in scherpe tegenstelling tot onnadenkend, onattent gebabbel. — Spr. 12:18.
2 Als onvolmaakte mensen zondigen wij natuurlijk allemaal met onze tong, of krenken wij medegelovigen wellicht op andere manieren (Jak. 3:2; 1 Joh. 1:8). Het besef dat wij vergeving nodig hebben, dient ons er beslist toe te brengen barmhartig jegens onze broeders en zusters te zijn en geen geschilpunt te maken van kwesties van ondergeschikt belang. Als iemand evenwel werkelijk van zijn stuk is gebracht en iets dat hem is aangedaan niet uit zijn geest en hart kan zetten, zou hij de situatie niet verbeteren door te weigeren met degene die hem gekwetst heeft, te spreken. Een dergelijk stilzwijgen zou achterdocht en wantrouwen kunnen opwekken, en de reeds bestaande kloof alleen maar wijder maken. Anderzijds kan een begrijpend gesprek van enkele minuten aan reeds lang bestaande grieven een eind maken. — Matth. 5:23, 24; Ef. 4:26.
3 Vriendelijke woorden dragen niet alleen bij tot een verbetering van de verhoudingen, maar dienen ook ter opbouw en aanmoediging van anderen. Hebben wij niet allemaal van tijd tot tijd met ontmoediging te kampen? Het oude samenstel oefent een enorme druk op ons uit. Het wordt steeds moeilijker om in ons levensonderhoud te voorzien. Wij trekken daarom beslist voordeel van het aanmoedigende woord van een attente vriend. Een uiting van vriendelijkheid, een opbouwende gedachte uit de bijbel of zelfs een vriendelijke groet kan net het „goede woord” zijn dat nodig is om ons hart te verheugen. — Spr. 12:25.
4 Vooral wanneer onze gedachten en meditaties op geestelijke dingen zijn gericht, zullen onze gesprekken opbouwend zijn (Fil. 4:8). Een extra zegen die daaruit voortvloeit, is dat geestelijke dingen dieper in onze geest en ons hart gegrift worden. En hebben wij niet vele goede dingen om over te spreken? Bijvoorbeeld bijzondere punten die wij in de Wachttoren-publikaties hebben gelezen, bijbelgedeelten die ons bij onze persoonlijke studie bijzonder getroffen hebben, of dingen die op de gemeentevergaderingen onder onze aandacht gebracht zijn. Ook een aanmoedigende ervaring kan ’iets meedelen wat gunstig is voor de hoorders’. — Ef. 4:29.
5 Er zijn tijden dat het moed vereist een goed gebruik van de tong te maken. Dit is vooral het geval als iemand die ons na staat, zich aan een ernstige overtreding schuldig maakt en dit eenvoudig tracht te verhullen. Krachtige emotionele gevoelens kunnen zwaar op ons drukken en maken dat wij liever niet met de ouderlingen over de kwestie spreken. Maar het zou werkelijk een misplaatst gevoel van loyaliteit zijn als wij de ernstige overtreding van iemand anders door de vingers zouden zien (Deut. 13:6-8). Bovendien zouden wij er de overtreder geen dienst mee bewijzen, daar het hem van de nodige geestelijke hulp van de ouderlingen zou kunnen beroven en hem ertoe zou kunnen brengen in een zondige loopbaan te verharden. Bovendien zouden wij blijk geven van gebrek aan bezorgdheid voor de reinheid van de gemeente, en deze aldus aan blaam blootstellen. Wij zouden in feite onze bewering Jehovah en zijn wet loyaal te zijn, kunnen loochenen en daardoor mogelijk onze eigen positie voor Zijn aangezicht in gevaar brengen. Zou het dus, hoewel het moeilijk kan zijn vrijuit te spreken, voor alle betrokkenen niet de juiste en heilzame handelwijze zijn?
6 Zonder twijfel is communicatie te rechter tijd van essentieel belang om de vrede en harmonie in de gemeente te bewaren. Daarom dienen ouderlingen er terecht voor te zorgen dat zij in dit opzicht een voortreffelijk voorbeeld geven wanneer zij zich van hun verantwoordelijkheden kwijten. In kwesties die een ingrijpende invloed op het leven van mensen hebben, handelt een ouderling met wijsheid wanneer hij niet op eigen houtje een beslissing neemt, maar medeouderlingen raadpleegt. Spreuken 15:22 zegt in verband hiermee: „Plannen zijn tot mislukking gedoemd waar geen vertrouwelijk gesprek is, maar in de veelheid van raadgevers komt iets tot stand.” Ouderlingen die dit beseffen, beperken hun besprekingen niet tot hun vier bijeenkomsten per jaar, maar nemen er de tijd voor elkaar over problemen en suggesties te raadplegen, terwijl zij er tevens voor zorgen dat belangrijke kwesties aan het gehele lichaam bekend zijn.
7 Van tijd tot tijd kan op een bijeenkomst van de ouderlingen een broeder of zuster ter sprake komen die op een of andere wijze in gebreke blijft een goed voorbeeld te geven. Misschien wordt de beslissing genomen de persoon niet voor demonstraties op de dienstvergadering te gebruiken en hem of haar niet als tijdelijke pionier aan te stellen, of iets dergelijks. Wanneer dat het geval is, zou de persoon er baat bij hebben als de ouderlingen zouden proberen hem of haar te helpen een beter voorbeeld te worden. Door niet met de persoon te spreken, zouden er gevoelens van wrok of ontmoediging opgeroepen kunnen worden. Liefde dient dergelijke herders ertoe te bewegen de nodige hulp te verlenen.
8 Hoe gelukkig kunnen wij zijn dat de bijbel ons uitmuntende richtlijnen geeft om onze tong op juiste wijze te gebruiken! Mogen wij allen er hard aan werken deze richtlijnen op te volgen en zo tot de vreugde en opbouw van onze broeders en zusters bij te dragen.