Het goede nieuws aanbieden — De besluitelozen helpen
1 De zich snel ontwikkelende gebeurtenissen van elke dag bewijzen zonder enige twijfel dat het einde van dit samenstel van dingen gevaarlijk dicht nabijkomt, en het is dringend noodzakelijk dat met schapen te vergelijken personen definitieve stappen doen om aan de vereisten van ware aanbidding te voldoen. Zij die besluiteloos en terughoudend blijken te zijn, kunnen niet verwachten dat zij „iets van Jehovah [zullen] ontvangen” (Jak. 1:6-8). Wat kunnen wij doen, als wij met zulke mensen studeren, om hen te helpen inzien dat het noodzakelijk is positieve stappen te doen?
2 In de eerste plaats is een consequente krachtsinspanning in het lezen en bestuderen van Gods Woord van essentieel belang voor vooruitgang (Joh. 17:3). Bereidt de student zich op zijn wekelijkse studie voor? Doordring hem van de belangrijkheid hiervan voor zijn vooruitgang. Moedig hem ertoe aan de goede gewoonte te ontwikkelen de nieuwe tijdschriften te lezen, de dagtekst en nieuwe publikaties zodra deze uitkomen. Kweek zijn belangstelling aan voor de dingen die op de vergaderingen bestudeerd worden, en stel hem voor het materiaal waaruit het afkomstig is thuis zelf te lezen.
3 In de tweede plaats is het ook noodzakelijk bijbelse beginselen die men geleerd heeft, toe te passen. Als iemand leert wat zijn verantwoordelijkheden zijn maar in gebreke blijft ze te aanvaarden, volgt hij een handelwijze die slechts tot teleurstelling kan leiden (Jak. 1:22-25). Is de student besluiteloos gebleven met betrekking tot het zich losrukken van vals-religieuze geloofsovertuigingen, immorele praktijken of wereldse beslommeringen die hem ongeschikt maken voor de doop? Als zijn vorderingen zodanig zijn dat hij dit punt bereikt heeft, aarzel dan niet hem zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van Jehovah duidelijk te maken. Wees tactvol maar toch recht door zee, en laat duidelijk zien wat hij moet doen om Jehovah te behagen.
4 Als derde is omgang met Jehovah’s volk door het bijwonen van vergaderingen, noodzakelijk als hij geestelijk sterk wil worden (Hebr. 10:24, 25). Wanneer de student de gelegenheden die hij heeft om aanwezig te zijn, verwaarloost, probeer hem dan te helpen om in te zien wat hij mist. Vertel hem over de levensbelangrijke dingen die daar geleerd worden, zoals de inlichtingen die bestudeerd worden in het „Babylon”-boek of in de lopende uitgaven van De Wachttoren. Stel hem voor aan anderen in de gemeente. Gebruik Gods Woord om zijn moed op te bouwen, als hij bevreesd is voor wat zijn familieleden of vrienden zullen doen. Bied op vriendelijke wijze elke hulp aan die jij maar kunt verschaffen, om hem mee te slepen.
5 Ten vierde dient kennis van de waarheid een gelovige ertoe aan te zetten zijn geloof met anderen te delen (Rom. 10:10). Moedig jij de student ertoe aan dit te doen? Je kunt hem voorstellen datgene wat hij geleerd heeft met familieleden of vrienden te bespreken. Als je hem een paar traktaten of uitnodigingen geeft, kan hij er wellicht een begin mee maken ze aan anderen te geven. Een eenvoudige uitleg hoe het werk gedaan wordt, kan zijn vrees verminderen en hem het nodige vertrouwen schenken. Je kunt hem een positieve uitnodiging geven jou te vergezellen, als je er zeker van bent dat hij aan de vereisten voldoet.
6 Proberen wij mensen Jehovah’s dienst in te „duwen”? Nee, absoluut niet. Slechts vrijwillige gehoorzaamheid die uit het hart komt behaagt Jehovah (Matth. 12:34). Onze opdracht is alleen mensen te helpen duidelijk in te zien wat erbij betrokken is en wat de stappen zijn die noodzakelijk zijn om aan de vereisten te voldoen en Gods goedkeuring te genieten. Als onze oprechte pogingen hen te helpen er niet in slagen hen tot een redelijke reactie aan te zetten, zou onze tijd ongetwijfeld nuttiger besteed kunnen worden door te studeren met anderen die wèl bereid zijn stappen te doen.
7 Wij beseffen dat hun leven op het spel staat, en daarom hebben wij er alle reden toe onze onderwijsmethoden te analyseren om ons ervan te vergewissen dat wij hun hart bereiken. Omdat wij van hen houden en graag zouden zien dat zij de zegeningen van eeuwig leven gaan genieten, verlangen wij ernaar hen te horen zeggen: „Wat mij en mijn huisgezin betreft, wij zullen Jehovah dienen.” — Joz. 24:15.