Het goede nieuws aanbieden — Ga je „intensief met het Woord bezighouden”
1 Nadat de apostel Paulus in Korinthe met Aquila en Priskilla enige tijd aan het maken van tenten had besteed, vertelt het bijbelverslag ons in Handelingen 18:5: „Toen nu zowel Silas als Timótheüs uit Macedonië waren gekomen, ging Paulus zich intensief met het woord bezighouden, en hij gaf de joden getuigenis om te bewijzen dat Jezus de Christus is.” Bestond er goede reden voor dat Paulus „zich intensief met het woord [ging] bezighouden”? Blijkbaar wel, want de verzen 9 en 10 vervolgen: „Door middel van een visioen zei de Heer bovendien ’s nachts tot Paulus: ’Vrees niet, maar blijf spreken en zwijg niet . . . want ik heb veel volk in deze stad.’”
2 Hebben wij thans soortgelijke redenen om ons intensief met het Woord te gaan bezighouden? Ja, want Jehovah heeft ongetwijfeld nog steeds „veel volk” of veel mensen in onze gebieden die gevonden en onderwezen moeten worden. Wij dienen onszelf regelmatig te herinneren aan de dringendheid van de tijd waarin wij leven en de noodzaak om een zo volledig mogelijk aandeel aan het predikings- en onderwijzingswerk te hebben.
3 Wanneer men een hele dag heeft om een karweitje te doen, bestaat vaak de neiging om er de hele dag voor te nemen. Maar wanneer men een groot karwei moet verrichten en men er slechts een beperkte hoeveelheid tijd voor heeft, is de situatie anders. Dan zoeken wij naar doeltreffender manieren om het werk te doen en stellen grotere krachtsinspanningen in het werk.
4 Ruim een jaar geleden raakten wij bekend met het zesmaandse huisbijbelstudieprogramma. Wij begrepen onmiddellijk dat wij door deze doeltreffende methode nog beter geholpen zouden worden het werk in de korte overgebleven tijd te doen.
5 Berichten uit het veld tonen nu aan dat bijbelstudies worden afgebroken wanneer verkondigers inzien dat de leerling geen vorderingen maakt. Dit is heel juist. Er is geen reden toe onze tijd te besteden aan degenen die er klaarblijkelijk geen werkelijke belangstelling voor hebben om iets in verband met de waarheden die zij hebben geleerd te doen. Toch vragen sommige verkondigers: „Hoe kan ik weten of ik de studie moet afbreken wanneer zij belangstelling schijnen te hebben en mij nog steeds graag laten komen?” Het antwoord is dat wij studies afbreken wanneer duidelijk blijkt dat zij niet de waardering voor de waarheid bezitten die er feitelijk zou moeten zijn. Misschien hebben zij er belangstelling voor om kennis in zich op te blijven nemen. Maar hebben zij waardering voor de kennis die zij reeds in zich op hebben genomen? Waardering voor Jehovah en de waarheid uit zich in daden.
6 Er zijn elke week drie afzonderlijke gelegenheden om vergaderingen te bezoeken, ofte wel een totaal van achtenzeventig in zes maanden. Indien de leerling niet één van deze vergaderingen heeft bezocht, terwijl dit wat zijn omstandigheden betreft mogelijk is, kan er dan worden gezegd dat er waardering bestaat? Of, indien hij noch uit eigen initiatief, noch met jouw aanmoediging, andere publikaties heeft gelezen, kan er dan worden gezegd dat er waardering bestaat? Of indien hij niet de drang heeft gevoeld om een van zijn kennissen of familieleden over de goede dingen die hij leert te vertellen, kan er dan worden gezegd dat er waardering bestaat? Elke verkondiger zal de aangelegenheid zorgvuldig moeten beschouwen en vervolgens een beslissing moeten nemen, maar deze gedachten zullen een hulp zijn bij het nemen van die beslissing. Blijkbaar vatten de broeders de aangelegenheid ernstig op, want de verslagen van kringdienaren laten zien dat vele verkondigers zonder aarzelen studies afbreken wanneer de tijd daartoe aanbreekt.
7 Wat gebeurt er dan? De tijd die voor de velddienst terzijde is gezet, wordt nu gebruikt in het van-huis-tot-huiswerk. Jezus zei: „Welke stad of welk dorp gij ook binnengaat, onderzoekt wie daarin het waard is” (Matth. 10:11). Er zijn vele gebieden in dit land die minder dan eens in de zes maanden worden bewerkt. Bovendien worden veel van deze gebieden niet grondig bewerkt. Wij kunnen beslist nog veel meer doen in het ’onderzoekings’-werk.
8 Wat blijkt er thans dus in het bijzonder nodig te zijn om ons ’intensief met het woord te gaan bezighouden’? Hoogstwaarschijnlijk is het een goed evenwicht tussen het bijbelstudiewerk en het van-huis-tot-huiswerk.
9 Er zijn een aantal verschillende benaderingen die men in het van-huis-tot-huiswerk kan gebruiken, waarbij men het oprichten van bijbelstudies in gedachten heeft. Merk op wat één districtsdienaar schrijft over het oprichten van studies bij het eerste bezoek: „In verband met het oprichten van bijbelstudies heb ik enkele hele mooie ervaringen opgedaan door in onze gesprekken met mensen aan hun deur eerst de studie aan te bieden. Aangezien ik meestal met broeders werk, moest ik er regelingen voor treffen om met een zuster terug te gaan en in sommige gevallen kon ik hen later in de week met mij meenemen naar dat adres. Als gevolg hiervan heb ik meer vreugde in het veld gehad, aangezien ik van mening ben dat het mijn bediening betekenisvoller heeft gemaakt.”
10 Deze kijk op het van-huis-tot-huiswerk en de rol die het speelt bij het oprichten van huisbijbelstudies heeft het voor een aantal verkondigers mogelijk gemaakt dat zij meer dan één studie met andere mensen tegelijk hebben en aldus zijn zij niet zonder studie wanneer de tijd aanbreekt dat zij er één moeten afbreken. Ook dan blijven zij in contact met degene bij wie de studie werd afgebroken om te zien of er door het verlies van de studie of om andere redenen waardering is opgebouwd.
11 Er is de laatste tijd uitstekend werk verricht. Ontegenzeglijk heeft datgene wat tot stand is gebracht, Jehovah behaagd. Kunnen sommigen van ons zich echter nog ’intensiever met het woord gaan bezighouden’, evenals Paulus dit deed? In werkelijkheid willen wij dat toch graag, niet waar?
[Inzet op blz. 4]
Leid anderen op in het bijbelstudiewerk