Een werk dat „wel respect moet afdwingen”
DE APOSTEL Petrus spoorde zijn medechristenen aan: „Bewaart een voortreffelijk gedrag onder de natiën, opdat zij in datgene waarin zij ten nadele van u spreken als over boosdoeners, ten gevolge van uw voortreffelijke werken, waarvan zij ooggetuigen zijn, God mogen verheerlijken” (1 Petrus 2:12). Al vele jaren hebben Jehovah’s Getuigen in Italië in het openbaar zo’n voortreffelijk gedrag aan de dag gelegd. In de geest van Jezus’ instructie om ’van de daken te prediken’, verrichten zij al hun christelijke activiteit openlijk, voor het oog van alle mensen (Mattheüs 10:27; Johannes 18:20). Bijgevolg besloten de Getuigen, toen een Italiaanse advocaat en een priester de beschuldigingen publiceerden dat Jehovah’s Getuigen „een pseudo-religieuze sekte” zijn en hen rekenden tot „geheime genootschappen die mensen verstrikken”, juridische stappen te ondernemen met het oog op de lasterlijke uitspraken.
In de eerste rechtszaak stelde de rechtbank vast dat de advocaat en de priester geen wet hadden overtreden. Maar op 17 juli 1997 werd de uitspraak van de rechtbank door het Hof van Beroep in Venetië vernietigd, en werden beide aangeklaagden schuldig bevonden. Het Hof van Beroep verklaarde: „Beide gepubliceerde artikelen in kwestie bevatten uitdrukkingen en zinsneden die de reputatie van de volgelingen van de religie van ’Jehovah’s Getuigen’ beslist kunnen schaden. Het lijkt duidelijk de bedoeling van de artikelen te zijn om de volgelingen aan openbare minachting bloot te stellen.” Het hof verklaarde dat de artikelen „geen legitieme uitoefening van het recht van berichtgeving en kritiek vormen”. Het hof legde de twee lasteraars een boete op en bepaalde tevens dat zij alle proceskosten moesten betalen, met inbegrip van alle juridische kosten die de Getuigen voor beide rechtszaken hadden gemaakt.
In zijn schriftelijk vastgelegde uitspraak lichtte het Hof van Beroep in Venetië toe: „Alleen door alle in de [Italiaanse] grondwet gewaarborgde rechten met elkaar in evenwicht te brengen en te beschermen, is het mogelijk vormen van intolerantie en religieus fanatisme te voorkomen.” De uitspraak beklemtoont dat de activiteit van Jehovah’s Getuigen geheim noch pseudo-religieus is. „Door de Getuigen onder geheime genootschappen te scharen,” merkte het hof op, „wordt zelfs voorbijgegaan aan het criterium van historische waarheid, aangezien de religie in veel steden beleden wordt en het wijdverbreide proselitisme dat de leden ervan verrichten, in het bijzonder op zon- en feestdagen, algemeen bekend is en wel respect moet afdwingen voor de moeite die gedaan wordt, hoe men ook mag denken over de gepredikte leer.” Het bericht van ijverige prediking en voorbeeldig gedrag van Jehovah’s Getuigen in Italië heeft er dus toe bijgedragen dat het vooroordeel tegen hen verdwijnt. — Mattheüs 5:14-16; 1 Petrus 2:15.