Verjaardagen hebben een spoor van dood achtergelaten
HET vieren van verjaardagen wordt door de meeste mensen in deze tijd als louter een onschuldig gebruik beschouwd. Maar de bijbel schildert geen positief beeld van deze traditie. Om te beginnen bevat de Schrift geen aanwijzing dat ook maar één getrouwe dienstknecht van God verjaardagen vierde.
De enige twee verjaardagen waarvan de bijbel melding maakt, waren die van regeerders die vijanden van God waren. Bij beide vieringen vond er een terechtstelling plaats, zodat de gasten zich konden verlustigen in de dood van iemand die de koning had mishaagd. In het eerste geval liet Farao, de koning van Egypte, de overste van zijn bakkers terechtstellen (Genesis 40:2, 3, 20, 22). De Egyptische heerser deed dat tijdens het feest omdat hij verontwaardigd was geworden op zijn dienstknecht. In het tweede geval liet Herodes, de immorele regeerder van Galilea, Johannes de Doper onthoofden bij wijze van gunst aan een meisje dat hem met haar dansen op het feest had behaagd. Wat een weerzinwekkende taferelen! — Mattheüs 14:6-11.
Maar vestigt de bijbel niet de aandacht op twee zeer uitzonderlijke verjaardagen? In feite niet. Josephus, de joodse geschiedschrijver uit de oudheid, onthult dat deze voorvallen niet op zichzelf stonden. Hij vermeldt andere gevallen waarbij op verjaarsfeesten bij wijze van amusement terechtstellingen plaatsvonden.
Sommige vonden bijvoorbeeld plaats na de verwoesting van Jeruzalem in 70 G.T., toen 1.000.000 joden omkwamen en 97.000 overlevenden werden gevangengenomen. Onderweg naar Rome voerde de Romeinse generaal Titus zijn joodse gevangenen naar de nabijgelegen havenstad Cesarea (Caesarea).
Josephus schrijft: „Tijdens zijn verblijf in Caesarea-aan-Zee gaf Titus een groot feest ter gelegenheid van de verjaardag van zijn broer [Domitianus]. Ter ere van hem werd hier aan een grote massa Joden hun straf voltrokken. Het aantal van hen die in de arena, in de gevechten tegen de wilde dieren en tegen elkaar, en op de brandstapel de dood vonden, beliep meer dan vijfentwintighonderd. . . . Hierna begaf Caesar zich naar Berytus [Beiroet], een stad in Phoenicië en een Romeinse kolonie. Daar verbleef hij voor een langere periode en daar vierde hij de verjaardag van zijn vader met nog meer vertoon van pracht en praal, zowel op het punt van de kostbaarheid van zijn shows als op het punt van allerlei andere uitgaven. Talloze gevangenen kwamen op dezelfde manier om als in Caesarea.” — De joodse oorlog, VII, iii, 1, vertaald door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes.
Geen wonder dat The Imperial Bible-Dictionary het volgende opmerkt: „De latere Hebreeën [beschouwden] het vieren van verjaardagen als een onderdeel van afgodische aanbidding . . ., een zienswijze die wel op afdoende wijze bevestigd werd door wat zij van de algemene vieringen die verband hielden met deze dagen, zagen.”
De getrouwe eerste-eeuwse christenen zouden er niets voor hebben gevoeld om mee te doen met een gebruik waarover de bijbel zich zo ongunstig uitlaat en dat op zo’n gruwelijke wijze door de Romeinen werd gevierd. In deze tijd beseffen oprechte christenen dat de bijbelse verslagen over verjaardagen deel uitmaken van de dingen die tot hun onderricht zijn geschreven (Romeinen 15:4). Zij vermijden het verjaardagen te vieren omdat er door zulke vieringen een al te grote belangrijkheid aan het individu wordt toegekend. En wat van nog grotere betekenis is: Jehovah’s dienstknechten nemen wijselijk in aanmerking dat in de bijbel ongunstig over verjaardagen wordt gesproken.
[Illustratie op blz. 25]
Arena in Cesarea