Goed nieuws uit Malawi!
OP 15 november 1993 werd de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania in het in Zuidoost-Afrika gelegen land Malawi officieel geregistreerd. Hierdoor zullen Jehovah’s Getuigen wettelijk worden erkend en de vrijheid krijgen om de bijbelse waarheden tot de bevolking van Malawi te prediken.
In 1948 werd er in Malawi een bijkantoor van het Wachttorengenootschap opgericht om het werk van Jehovah’s Getuigen in dat land te coördineren. Op 8 januari 1957 werd het Wachttorengenootschap daar voor het eerst als een wettige organisatie geregistreerd. Verscheidene jaren achtereen verheugden Jehovah’s Getuigen zich in een snelle groei. Maar in 1964 brak er een gewelddadige vervolging uit. Hoe kwam dit?
In gehoorzaamheid aan God bleven Jehovah’s Getuigen strikt neutraal met betrekking tot de politiek (Johannes 17:16). Sommigen begrepen dit schriftuurlijke standpunt blijkbaar niet goed en stelden de Getuigen in een verkeerd daglicht als een radicale religie en als wetteloze elementen. Vandaar dat sommigen meenden deze vredelievende christenen te moeten vervolgen. Veel Getuigen werden ontslagen, afgeranseld en anderszins vernederd. Sommigen werden met geweld van hun kinderen gescheiden.
In 1972 moesten meer dan 30.000 Getuigen en sommigen die met hen de bijbel bestudeerden het land verlaten, omdat zij gevaar liepen hun leven te verliezen. Duizenden vestigden zich in vluchtelingenkampen in het naburige Mozambique. Maar in 1975 werden deze vluchtelingen teruggestuurd naar Malawi, waar zij aan verdere vervolging het hoofd moesten bieden. Velen werden in concentratiekampen ondergebracht. Te midden van al deze beroering werd het Wachttorengenootschap van de officiële lijst van wettige organisaties in Malawi geschrapt. Sindsdien waren Jehovah’s Getuigen en hun wettige organisaties in dat land verboden.
Ondanks al deze ontwikkelingen hebben de Getuigen zich niet gewroken. Zij hebben nooit benden gevormd of een oproer verwekt in protest tegen de regering. In plaats daarvan bleven zij zich gebedsvol kwijten van hun christelijke verplichting om de „superieure [regerings]autoriteiten” juiste eer en achting te schenken (Romeinen 13:1-7; 1 Timotheüs 2:1, 2). De Getuigen hielden ook de in de bijbel opgetekende verheven maatstaven van een christelijke levenswijze hoog en hebben aldus een uitstekend voorbeeld in gedrag gegeven.
Met hun pasverworven vrijheid zijn Jehovah’s Getuigen in Malawi vastbesloten de bijbelse waarheden dringend, „in gunstige tijd”, te blijven prediken. — 2 Timotheüs 4:2.
[Illustratie op blz. 31]
M. G. Henschel met de Malawische Bethelfamilie in de jaren ’60