De naam van God
„Als Jehovah het huis niet bouwt, is het tevergeefs dat de bouwers hard werken.” Zo luidt deze Latijnse inscriptie. De woorden zijn gebaseerd op Psalm 127:1 in de bijbel, en ze bevatten een diepe waarheid: Elke krachtsinspanning waarop Jehovah’s zegen niet rust, zal uiteindelijk tevergeefs zijn.
De inscriptie, gedateerd 1780, staat op een gebouw in Colombo (Sri Lanka) en is opmerkelijk omdat Gods naam, Jehovah, erin voorkomt. (Zie foto.) In vroeger eeuwen werd die naam veel gebruikt. Hij kwam vaak voor in inscripties op wereldse gebouwen, kerken en zelfs op muntstukken. Zendelingen gebruikten Gods naam toen zij de bijbel naar verre landen brachten, wat ongetwijfeld deze inscriptie op Sri Lanka verklaart.
Wat een verschil met deze tijd! Weinig belijdende christenen bekommeren zich om Gods naam. Sommige geleerden bekritiseren Jehovah’s Getuigen zelfs vanwege het feit dat zij de nadruk leggen op die naam. Waarom? Omdat volgens sommigen de Hebreeuwse uitspraak niet precies bekend is. Maar hoevelen kennen de oorspronkelijke Hebreeuwse uitspraak van Jezus’ naam? Toch wordt zijn naam overal gebruikt en gerespecteerd.
Voor Jezus was Gods naam van levensbelang. Hij leerde ons bidden: „Uw naam worde geheiligd” (Mattheüs 6:9). En vlak voor zijn dood zei hij tot God: „Ik heb uw naam openbaar gemaakt aan de mensen die gij mij uit de wereld hebt gegeven” (Johannes 17:6). Ware christenen treden in de voetstappen van Jezus. Zouden zij ook niet ’Gods naam openbaar moeten maken’? Jehovah’s Getuigen doen dat, en Jehovah zegent hun „huis” rijkelijk. Op hen is de psalm van toepassing: „Gelukkig het volk dat Jehovah tot God heeft!” — Psalm 144:15.