Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w93 1/2 blz. 30
  • Tabak en de geestelijkheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Tabak en de geestelijkheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Vergelijkbare artikelen
  • Onze werkkring met ’liefde voor de naaste’ in overeenstemming brengen
    Koninkrijksdienst 1974
  • Waarom christenen tabak mijden
    De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
  • Gewetensvol in het goeddoen jegens allen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • De tabaksgewoonte — Verenigbaar met het Christendom?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
w93 1/2 blz. 30

Tabak en de geestelijkheid

MEER dan 115 jaar geleden schreef de arts John Cowan een boek getiteld The Use of Tobacco vs. Purity, Chastity and Sound Health. In het licht van wat men de laatste jaren over de schadelijke effecten van tabak te weten is gekomen, waren zijn opmerkingen over het gebruik ervan door geestelijken vooruitziend en zijn ze van belang voor iedereen die in deze tijd God probeert te dienen. In hoofdstuk 4, dat handelt over de morele gevolgen van tabakgebruik, merkte dr. Cowan op:

„Indien het gebruik van tabak in fysiek opzicht verkeerd is — zoals duidelijk is aangetoond — moet het noodzakelijkerwijs ook in moreel opzicht verkeerd zijn; want het is een fysiologische wet dat ’alles wat het lichaam verderft of irriteert, daardoor het zenuwstelsel verderft, en door middel daarvan de hersenen en daardoor de geest’. Iemands geest — zijn gedachten, zijn uitspraken, zijn daden worden beïnvloed door de manier waarop hij zijn fysieke natuur gebruikt of misbruikt. Tabak is op zich en met alles wat er verder bijkomt, smerig, en — de schade die erdoor wordt aangericht nog buiten beschouwing latend — hoe kunnen er dan reine, zuivere, juiste morele gevoelens en daden in de geest ontspruiten of ontwikkeld worden? Stelt u zich eens voor — zo dat al voor te stellen zou zijn — dat Christus, terwijl hij Zijn voorbeeldige leven op aarde leidde — waarin hij reinheid, eerbaarheid, liefde en menslievendheid onderwees en predikte — rookte, snoof en pruimde. Komt de gedachte alleen al niet als heiligschennis over? En toch verontreinigen geestelijken — volgelingen, predikers en uitleggers van Zijn wetten en leringen — wel hun lichaam en bezoedelen zij wel hun ziel met smerige, giftige tabak. Kunnen zulke mannen, of hun volgelingen, een leven als dat van Christus leiden — een hoogstaand, moreel leven? Ik denk van niet.

Probeer, als u dat kunt, in samenhang met heiligheid van hart eens aan een vraatzuchtige eter, een drinkebroer of een tabakgebruiker te denken. Er zit iets onnatuurlijks, weerzinwekkends en afstotends in die associatie. Net zoals de eetlust en de uiterlijke zintuigen worden bedorven, wordt de innerlijke mens, zijn morele aard, vulgair. De zuivere geest zal niet, en kan niet, in een smerige woning verblijven. Er bestaat een natuurlijke overeenstemming tussen stoffelijke en geestelijke zaken, waardoor de kenmerken van het ene de aard van het andere bepalen. Een leraar van religie en een slaaf van tabak . . . Hij erkent misschien, in alle eerlijkheid en oprechtheid, dat tabakgebruik een schadelijke gewoonte en in moreel opzicht verkeerd is; toch kan het zijn dat binnenin hem een drang bestaat, een wet van zijn leden, kunstmatig voortgebracht, die hem er met een onverzadigbaar verlangen toe beweegt de gewoonte voort te zetten, en deze kunstmatige wet zou sterker kunnen zijn dan de gecombineerde werking van zijn natuurlijke rede en geweten. Is tabakgebruik niet een duidelijke schending van een van Gods wetten die in ons organisme zijn ingeplant? Is een schending van welke wet van God maar ook niet een overtreding en een zonde? En als iemand er een gewoonte van heeft gemaakt een van Gods wetten te schenden, zal dan de overgang naar het overtreden van andere wetten niet een gemakkelijke en vanzelfsprekende zaak zijn? En ten slotte, hoe kan iemand zich handhaven als zedenleraar als hij, door zijn eigen gedrag, bij zijn medeschepselen een leven van voortdurende overtredingen tegen de wetten van zijn bestaan aanbeveelt?”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen