Koninkrijksverkondigers brengen verslag uit
’Oogsten’ in Venezuela
Bij één gelegenheid vergeleek Jezus het predikingswerk met de jaarlijkse oogst (Mattheüs 9:36-38). De Meester van de oogst is Jehovah God, en de oogst is over de hele wereld werkelijk groot. Dit geldt ook voor weinig bewerkt gebied in Venezuela.
Het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Venezuela bericht wat er gebeurde toen een groep Getuigen het gebied van Sabana Grande in de deelstaat Guárico bewerkte. De Getuigen vertellen: „Het huis waar wij zouden verblijven, was een goede plaats om vergaderingen te houden, dus wij begonnen meteen mensen uit te nodigen voor vergaderingen daar. De mensen kenden Jehovah’s Getuigen niet. Hoewel er vier evangelische groepen in de stad waren, wilden de mensen graag iets over de bijbel te weten komen.
Wij werkten ’s morgens drie uur en ’s middags drie uur, waarbij wij van huis tot huis gingen en de mensen voor een vergadering uitnodigden die wij de volgende avond zouden houden. Wij hadden geen stoelen, dus wij nodigden hen uit hun eigen stoel mee te nemen. Toen het tijdstip naderde waarop de vergadering een aanvang zou nemen, begonnen de mensen te komen, ieder met een stoel bij zich. Na de vergadering vertelden wij hun dat wij graag de namen wilden opschrijven van degenen die een gratis huisbijbelstudie wilden hebben. Alle 29 aanwezigen wilden op de lijst gezet worden.
Toen wij de deur achter de laatste bezoeker sloten, merkten wij dat er drie mannen bij de hoek van het huis stonden. Omstreeks negen uur, net toen wij klaar waren om wat te gaan eten, klopten zij op de deur. Zij stelden vragen zoals: ’Wat is dit voor een predikingswerk dat jullie in deze stad doen? Waarom hadden jullie hier een vergadering vanavond?’
Wij vroegen of wij een wet hadden overtreden. Zij antwoordden nee en zeiden dat zij de voorgangers van drie van de evangelische kerken in de stad waren. Zij waren ontdaan omdat hun kerken die avond leeg waren geweest. Wij nodigden hen binnen en legden uit wat ons werk was. Wij gaven hun ook wat lectuur mee en vroegen of zij de daaropvolgende donderdag terug wilden komen.
Die donderdag kwamen de voorgangers terug en met hen nog 22 anderen die wilden horen wat wij te zeggen hadden. De voorgangers dachten dat wij, omdat wij vrouwen waren, niet tegen een discussie met hen opgewassen zouden zijn. Toch was de vergadering van ons standpunt uit bezien een succes. Aan het eind legden wij uit dat wij een lijst aan het opstellen waren van personen die meer over de bijbel zouden willen weten. Een aantal metgezellen van de voorgangers wilden hun naam op de lijst laten zetten, en sommige zeiden zelfs dat zij met ons mee wilden gaan in het predikingswerk!
Wij legden uit dat zij meer bijbelkennis en opleiding nodig hadden voordat zij ons in het predikingswerk konden vergezellen. Elke dag kwamen er mensen naar het huis die ons vroegen de bijbel aan hen uit te leggen. Soms, wanneer wij tot ’s avonds laat gepraat hadden, moesten wij hen vragen naar huis te gaan. Toen wij ten slotte het gebied moesten verlaten, waren zij erg bedroefd en zeiden ons dat zij wanneer wij terugkwamen, met ons mee zouden gaan in het predikingswerk. Zij beloofden dat zij tegen die tijd de vereiste vorderingen zouden hebben gemaakt.”
Toen de Getuigen uit dat gebied weggingen, waren er veertig personen die de bijbel wilden bestuderen. De namen van deze geïnteresseerden werden aan de dichtstbijzijnde gemeente doorgegeven, die zich daar ongeveer vijftig kilometer vandaan bevindt. Daarna zijn een aantal Getuigen uit een andere stad naar deze plaats verhuisd, en er heeft zich een groep ijverige predikers van het goede nieuws gevormd.