Politiek — een onderdeel van de evangelieopdracht?
VOLGENS Joachim Meisner, aartsbisschop van Keulen en voorheen een vooraanstaand geestelijke in Oost-Duitsland, ’is het ketterij om politiek smerig te noemen, een zaak waarmee men zijn handen bevuilt’. Tijdens een interview in 1989 zei hij: „Politiek is een stuk menselijke realiteit en daarom een onderdeel van onze evangelieopdracht. Wij moeten de uitdaging aandurven. Wij moeten ook alle politieke instituten, van vakbonden en verenigingen tot politieke partijen, in de goede zin van het woord infiltreren, om in deze bewegingen en partijen een fundament van christelijke substantie te hebben waaruit afzonderlijke personen kunnen voortkomen die vanuit een leidinggevende positie accent geven aan de Duitse en Europese politiek.”
De volgende aanhalingen uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung, een toonaangevende Duitse krant, laten zien dat veel Europese geestelijken — zowel van katholieke als van protestantse zijde — Meisners zienswijze delen.
„Slechts zes dagen na zijn verkiezing [oktober 1978] kondigde hij [de paus] aan dat hij als Oosteuropeaan niet van plan was de status quo in Europa te aanvaarden. . . . Sommigen hielden het voor een preek, maar het was een politiek programma.” — November 1989.
„In enkele plaatsen [in Tsjechoslowakije] verwierf de kerk hoog aanzien als voorvechter van de omwenteling. Zo hebben studenten aan het priesterseminarie in Litomĕr̆ice, een bisschopsstad in Noord-Bohemen, . . . de geweldloze revolutie van afgelopen november geleid.” — Maart 1990.
„Het wekelijkse gebed voor de vrede in de [protestantse] Nikolaikerk, dat tien jaar lang weinig aandacht trok, werd dit jaar plotseling een symbool van de omwenteling, van de vreedzame revolutie in de DDR [Duitse Democratische Republiek]. . . . Talloze geestelijken en leken uit de gemeenten nemen geregeld deel aan de demonstraties die in aansluiting daarop worden gehouden.” — December 1989.
Aartsbisschop Meisner merkte in zijn interview ook op: „Wij kunnen niet wachten tot er christelijke politici uit de hemel komen vallen. . . . Ik zal het nooit moe worden om jonge christenen . . . ertoe aan te moedigen aan het politieke leven deel te nemen [en] tot oudere mensen zeg [ik]: U mag geen verkiezing voorbij laten gaan waaraan u geen aandeel hebt gehad.”
Onder degenen die in maart 1990 gekozen werden tot leden van de Oostduitse Volkskammer (het parlement), bevonden zich bijgevolg negentien geestelijken. Religie was ook in het kabinet goed vertegenwoordigd. Het Nassauer Tageblatt schreef over een van de drie geestelijken in het kabinet, de minister van Defensie Rainer Eppelmann, die een verklaard pacifist is: „Velen beschouwen hem als een van de vaders van de vreedzame revolutie.”
De vele honderdduizenden Jehovah’s Getuigen in Oost-Europa zijn blij met de grotere religieuze vrijheid die zij nu hebben. Maar zij gebruiken die niet om zich te mengen in politieke of sociale controverses. In overeenstemming met de evangelieopdracht die in Mattheüs 24:14 staat, volgen zij Jezus’ voorbeeld in het mijden van menselijke politiek, terwijl zij ijverig het goede nieuws van Gods koninkrijk als de enige hoop voor de mensheid prediken. De geestelijken van de christenheid — hetzij in Oost-Europa of elders — zouden er verstandig aan doen om eveneens zo te handelen. — Johannes 6:15; 17:16; 18:36; Jakobus 4:4.