Geluk vinden — maar waar?
JEZUS zei: „Gelukkig zijn zij die zich bewust zijn van hun geestelijke nood” (Matthéüs 5:3). Een oprecht meisje in het Midden-Oosten was zich bewust van haar geestelijke nood en streefde ernaar God te behagen. Uiteindelijk vond zij het geluk — maar waar? Wij zullen het haar laten uitleggen.
„Ik ben opgegroeid in een zeer gelovig maronitisch gezin. Wij kregen als kind geleerd elke avond voor beelden te bidden, en ik koesterde vanaf mijn kleuterjaren de wens God te dienen.
Op zeventienjarige leeftijd ging ik het klooster in, omdat ik dacht op deze wijze mijn wens te vervullen. Bij de nonnen zag ik echter veel wat mij verontrustte. Zij roddelden over elkaar. Novicen kregen niet genoeg te eten terwijl de nonnen het beste voedsel genoten. En er werd immoraliteit bedreven tussen de nonnen en de priester. Bitter teleurgesteld verliet ik na negen maanden het klooster en keerde terug naar huis.
Ik zat nog steeds boordevol onbeantwoorde vragen en toen ik hierop geen bevredigende antwoorden kon vinden, bereikte ik het punt dat ik niets meer om religie gaf. Toen gingen mijn lijfelijke broer en zus met Jehovah’s Getuigen de bijbel bestuderen — dat was in 1982 toen ik 22 was. Mijn ouders en ik stonden hen tegen. Mijn broer werd vanwege zijn nieuwe geloof hevig vervolgd en geslagen, en vaak gevangengezet. Wat echter indruk op mij maakte, waren de grote veranderingen die hij in zijn leven aanbracht. Bovendien gaf hij logische bijbelse antwoorden op de vragen die ik al zo lang had. Dus begon ik in het geheim ’s nachts zelf de bijbel te lezen.
Op een dag ging ik mee om eens te zien hoe het op een vergadering van Jehovah’s Getuigen toeging. Ik was onder de indruk van de daar aan de dag gelegde liefde. Er was geen verschil tussen arm en rijk. De Getuigen leven in overeenstemming met wat zij onderwijzen. Ik was ervan overtuigd dat zij de waarheid hadden.
Direct na de vergadering vroeg ik een van hen met mij te studeren. Ik vertelde haar dat ik slechts studie wilde en niet van plan was vergaderingen te bezoeken of te gaan prediken. Al snel realiseerde ik mij echter dat ik de waarheid leerde. Ik ging in gebed en besloot Jehovah te dienen. Op 28 oktober 1983 werden mijn broer, mijn zus en ik gedoopt. Ik had nu ontdekt hoe ik mijn jeugdwens om God te dienen kon vervullen.
Twee maanden na mijn doop ging ik in de hulppioniersdienst en acht maanden later werd ik gewone pionier. Na anderhalf jaar werd ik uitgenodigd om op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen, Bethel genoemd, te dienen, en dat heb ik twee jaar op tijdelijke basis gedaan. Ik was onder de indruk van de nederigheid die allen aan de dag legden. De broeders met meer verantwoordelijkheid deelden zelfs in de taak om na het avondeten de vaat te doen.
Op 14 maart 1988 werd ik vast aangesteld als lid van de Bethelfamilie. Wat een gelukkige gebeurtenis! Ja, ik heb het geluk gevonden. Waar? Onder Jehovah’s opgedragen getuigen! Nu voel ik mij als de psalmist die zei: ’Eén dag in uw voorhoven is beter dan duizend elders’.” — Psalm 84:10.