Vragen van lezers
◼ Bedient Jehovah zich met betrekking tot mensen, met inbegrip van zijn dienstknechten, van slinksheid of bedrog, zoals in Jeremia 4:10 en 20:7 te kennen gegeven schijnt te worden?
Nee, de Schepper handelt niet bedrieglijk, slinks of listig. Hij kan en zal echter zijn rechtvaardige wil ten uitvoer brengen, in weerwil van wat mensen misschien verwachten.
Eén aspect hiervan blijkt uit Jeremia 4:10, waar de profeet zei: „Ach, o Soevereine Heer Jehovah! Waarlijk, gij hebt dit volk en Jeruzalem absoluut bedrogen, door te zeggen: ’Vréde zal u ten deel vallen’, en het zwaard heeft helemaal tot aan de ziel gereikt.”
Jehovah gebruikte Jeremia om te voorzeggen dat er rampspoed zou komen over de afvallige natie die Hem zogenaamd diende (Jeremia 1:10, 15-19; 4:5-8; 5:20-30). Maar er waren ook anderen die beweerden profeten te zijn (Jeremia 4:9). Wat vernamen de mensen van zulke zogenaamde profeten? God bestempelde het als volgt: „De profeten zelf profeteren werkelijk op grond van de leugen . . . En mijn eigen volk heeft het graag zo gehad.” — Jeremia 5:31; 20:6.
Hoewel Jehovah deze valse profeten niet had gezonden, voorkwam hij toch niet dat zij boodschappen als „Vrede zult gij krijgen” en „Geen rampspoed zal ulieden overkomen” in Juda verbreidden (Jeremia 23:16, 17, 25-28, 32). De mensen stonden voor de keus — hetzij de door Jeremia geuite harde maar ware profetieën aanvaarden of zich laten misleiden door valse, eigenmachtig optredende profeten, zoals Hananja en Semaja (Jeremia 28:1-4, 11; 29:30-32). Omdat God deze misleidende profeten er niet van weerhield te spreken, kon er van hem gezegd worden: „Gij hebt dit volk en Jeruzalem absoluut bedrogen, door te zeggen: ’Vréde zal u ten deel vallen.’”
Jeremia werd in een ander opzicht misleid. „Gij hebt mij misleid, o Jehovah, zodat ik mij heb laten misleiden. Gij hebt uw sterkte tegen mij aangewend, zodat gij hebt gezegevierd. Ik ben een voorwerp van gelach geworden, de gehele dag; iedereen bespot mij.” — Jeremia 20:7.
Pashur, een vooraanstaand priester, viel Jeremia in het openbaar aan en sloot hem vervolgens in het blok. Van menselijk standpunt uit bezien, had Jeremia misschien het gevoel dat hij zijn grens bereikt had, dat hij gewoon niet de kracht bezat om in weerwil van onverschilligheid, afwijzing, spot en lichamelijk geweld door te gaan. Maar zo was het niet. Jehovah wendde Zijn sterkte tegen (of in tegenstelling tot) Jeremia’s menselijke neiging aan. God misleidde Jeremia doordat Hij deze onvolmaakte man gebruikte om datgene tot stand te brengen wat de profeet niet in eigen kracht had kunnen doen. Al werd Jeremia hierdoor misschien misleid of verrast, het diende een goed doel: Degenen die hem vervolgden, werden beschaamd gemaakt en Gods boodschap werd verkondigd. — Jeremia 20:11.
Wanneer Jeremia 4:10 en 20:7 in de context worden begrepen, zijn ze derhalve in overeenstemming met Elíhu’s conclusie: „God zelf handelt niet wetteloos, en de Almachtige zelf buigt het recht niet.” — Job 34:12.