Gods naam en bijbelvertalers
IN 1952 publiceerde The Bible Translator een discussie over het „probleem” Gods naam weer te geven in bijbelvertalingen die in de missiegebieden van de christenheid gebruikt zullen worden. In de diverse bijdragen erkende men de belangrijkheid van de naam in de bijbel — welke naam bijna 7000 maal in de Hebreeuwse Geschriften voorkomt. Maar de schrijvers konden het niet eens worden over de wijze waarop deze in moderne talen weergegeven diende te worden. Sommigen waren voorstanders van een uitdrukking als „De Eeuwige”. Anderen gaven de voorkeur aan de titel „Heer”. Niemand was een voorstander van de weergave „Jehovah” of „Jahweh”. Waarom niet?
In een bijdrage van H. Rosin werden twee redenen genoemd. In de eerste plaats geloofde de schrijver dat toen de Hebreeuwse bijbel oorspronkelijk in het Grieks werd vertaald (de voorchristelijke Septuaginta-vertaling) de vertalers Gods naam met het Griekse woord voor „Heer” weergaven. In de tweede plaats was hij bang dat het invoeren van de naam Jehovah „ook een scheuring zou kunnen veroorzaken in de kerk”. Want, zo voegde hij eraan toe, „zijn ’Jehovah’s getuigen’ geen anti-trinitariërs?”
Wat Rosins eerste punt betreft, archeologische ontdekkingen hebben aangetoond dat hij ongelijk heeft. In werkelijkheid hebben de vertalers van de Septuaginta de goddelijke naam niet weergegeven met het Griekse woord voor „Heer”. Zij noteerden de naam veeleer in zijn oorspronkelijke Hebreeuwse lettertekens in de Griekse tekst, zodat exemplaren van de Septuaginta-vertaling die door de vroege christenen werden gebruikt, de goddelijke naam bevatten.
Het is van belang op te merken dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de vroege christenen, wanneer zij uit de Septuaginta citeerden, de naam uit de aanhaling verwijderden. Vandaar dat de oorspronkelijke handschriften van de christelijke Griekse Geschriften (het „Nieuwe Testament”) hoogstwaarschijnlijk Gods naam bevatten. Professor George Howard voerde in een artikel dat in de Biblical Archaeology Review van maart 1978 verscheen, krachtige argumenten voor deze conclusie aan. Hij maakt bijvoorbeeld melding van „een welbekende rabbijnse passage (Talmoed Sjabbat 13.5)” waarin „het probleem van de vernietiging van ketterse teksten (zeer waarschijnlijk met inbegrip van boeken van joodse christenen) wordt besproken”. Wat was het probleem? „De ketterse teksten bevatten de goddelijke naam, en de algehele vernietiging ervan omvatte de vernietiging van de goddelijke naam.”
Maar wat valt er over het tweede bezwaar van Rosin te zeggen? Zou het gebruik van Gods naam problemen voor de christenheid veroorzaken? Welnu, beschouw eens wat er gebeurde toen de naam werd verwijderd. Na de eerste eeuw vervingen „christelijke” afschrijvers Gods naam in zowel de Septuaginta als de christelijke Griekse Geschriften door woorden als „God” en „Heer”. Volgens professor Howard heeft dit waarschijnlijk bijgedragen tot de beroering die de christenheid in later jaren ondervond: „Het is mogelijk dat de verwijdering van het Tetragrammaton [Gods naam in het Hebreeuws] op belangrijke wijze heeft bijgedragen tot de latere christologische en trinitarische disputen die de kerk van de vroege christelijke eeuwen hebben geteisterd.”
De verwijdering van Gods naam uit de bijbel heeft de aanvaarding van de Drieëenheidsleer door de christenheid beslist zeer vergemakkelijkt. Vandaar dat het moeilijkheden zou veroorzaken als de christenheid de naam in de volledige bijbel en in de aanbidding zou herstellen. Zoals in de Hebreeuwse en christelijke Griekse Geschriften wordt onthuld, is Jehovah duidelijk afgescheiden van Jezus Christus en geen deel van een Drieëenheid.
Professor Howard zei bovendien nog: „De verwijdering van het Tetragrammaton heeft waarschijnlijk een ander theologisch klimaat geschapen dan dat wat gedurende de nieuwtestamentische periode van de eerste eeuw bestond. De joodse God die door het gebruik van zijn Hebreeuwse naam altijd zorgvuldig onderscheiden was van alle anderen, verloor iets van zijn apartheid toen het Tetragrammaton verdween.” Jehovah’s Getuigen hebben Gods naam niet alleen in de volledige bijbel hersteld, maar ook in hun dagelijkse aanbidding. Daarom nemen zij een ’zorgvuldig onderscheid’ in acht tussen de ware God en de valse goden van deze wereld. Dit heeft hen in staat gesteld het „theologische klimaat” dat in de eerste-eeuwse christelijke kerk bestond, te herstellen.