„Zij zullen stellig tegen u strijden, maar zij zullen u niet overmeesteren”
DE SOEVEREINE Heer Jehovah beloofde de jeugdige Jeremia dat Hij hem „tot een versterkte stad en tot een ijzeren zuil en tot koperen muren” zou maken tegen een ieder die eropuit mocht zijn hem te gronde te richten. In deze tijd geldt voor ons als Jehovah’s Getuigen dezelfde verzekering van onze God. Ja, onder invloed van Satan zal men ’stellig tegen ons strijden’, maar men zal ons niet overmeesteren. „Want ’ik ben met u’, is de uitspraak van Jehovah, ’om u te bevrijden’.” — Jeremia 1:18, 19.
Vreemdelingen riskeren hun leven wanneer zij op de Salomonseilanden afgelegen dorpen binnengaan, en vooral wanneer zij een nieuwe religie brengen. Dat ondervonden twee speciale pioniers van Jehovah’s Getuigen. Dorpelingen met een woest uiterlijk richtten pijl en boog op hen. Zij hadden bevel te schieten! Toen de situatie gespannen werd, kwam plotseling een oude man tussenbeide die zei: „Dit zijn mijn bezoekers. Doe hun geen kwaad.” Tot verbijstering van de dorpelingen nam hij hen mee naar zijn huis. Deze man had van de Getuigen gehoord; nu nam hij het boek U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven, en er werd een bijbelstudie opgericht. Onmiddellijk begon hij naar de vergaderingen te gaan. Thans kunnen de broeders zonder moeilijkheden in dat gebied prediken, dankbaar voor de wijze waarop Jehovah hen aanvankelijk had bevrijd.
Dikwijls is iemand vrijgelaten wanneer hij als een van Jehovah’s Getuigen werd geïdentificeerd. Door de prediking van huis tot huis komen de mensen te weten wie de Getuigen zijn en wat hun standpunt ten aanzien van de actuele problemen is. In een dorpje in Peru beschuldigden terroristen de dorpelingen ervan dat zij hen hadden verraden. Zij namen de mannen van het dorp gevangen en stelden hen op in een rij om hen neer te schieten. (Bij soortgelijke situaties waren hele dorpen uitgeroeid.) Maar nu herkende een van de terroristen een broeder en zei tot de terechtstellers: „Die man hoort niet bij hen. Ik weet dat hij een Jehovah’s Getuige is, en die bemoeien zich niet met politiek.” De broeder werd vrijgelaten. Jehovah beschermt de zijnen beslist!
Het eilandgebied Cyprus bericht dat de Grieks-Orthodoxe Kerk zich bijzonder inspant om het werk van Jehovah’s Getuigen te ondermijnen. De Kerk verspreidt pamfletten waarin de Getuigen van allerlei dingen beschuldigd worden en ze tracht haar leden ervan te weerhouden met de Getuigen te praten. Enkele theologen hebben zelfs de handen ineengeslagen om mensen te bezoeken die met Jehovah’s Getuigen studeren, in een poging hen daarvan af te brengen. Typerend is wat er gebeurde in Pafos, waar Paulus en Barnabas eens soortgelijke tegenstand hebben overwonnen (Handelingen 13:6-12). Een priestertheoloog probeerde drie verschillende personen ervan te overtuigen dat zij ermee moesten ophouden met Jehovah’s Getuigen de bijbel te bestuderen. Ieder op hun beurt en onafhankelijk van elkaar, troffen zij regelingen om samen met een broeder een gesprek met deze theoloog te hebben. Het gevolg is dat alle drie nu actief verbonden zijn met de Getuigen. De priester merkte op: ’Ik wil nooit meer een gesprek met Jehovah’s Getuigen hebben.’
Sommige priesters gingen zo ver dat zij Getuigen sloegen die in een van de dorpen van huis tot huis werkten. Vreemd genoeg werd enkele dagen later het dorp getroffen door een wervelwind, die de daken van veel huizen vernielde. Sommige dorpelingen merkten op: ’Dit is een straf van God voor wat de priesters Jehovah’s Getuigen hebben aangedaan.’ In dit dorp ontvangen oprechte personen onze broeders nog steeds bij zich thuis. In één geval, toen een broeder de lopende tijdschriften aan een geïnteresseerde aanbood, kwam toevallig een van de priesters die de broeders geslagen hadden langs en gebood de broeder ’zijn kudde’ met rust te laten. De geïnteresseerde zei tegen de priester: ’Ik ben oud genoeg om zelf te weten wat ik doe.’ De geestelijken slagen er dus niet in Jehovah’s Getuigen te overmeesteren; de moeite die zij doen, heeft een averechtse uitwerking en meer mensen nemen hun standpunt voor Jehovah in.
In een door oorlog verscheurd land in Centraal-Afrika werd een kringopziener voor een routinecontrole door soldaten aangehouden. Zij maakten bezwaar tegen iets wat in een brief stond die hij bij zich had en brachten hem naar het politiebureau, waar hij door drie soldaten werd gegeseld en gemarteld. Hoewel er geen aanklacht tegen hem werd ingediend, werd hij zonder vorm van proces een jaar in hechtenis gehouden. Zes maanden lang zat hij met veertig andere gevangenen opgesloten in een overvolle cel. Vanwege de bekrompen ruimte moesten zij om de beurt slapen, drie uur per keer. De rest van de tijd moesten zij blijven staan. In de tijd dat onze broeder daar was, stierven 137 gevangenen en hij kreeg de taak hun lijken in de zakken te stoppen waarin zij begraven werden.
Deze kringopziener behield zijn geestelijke kracht door veel tijd te besteden aan het prediken tot medegevangenen. Zijn bericht laat zien dat hij meer dan dertig uur per maand aan het getuigeniswerk besteedde; hij leidde vier bijbelstudies terwijl hij in de gevangenis zat. Een van zijn leerlingen begon zelfs aan anderen getuigenis te geven. Deze broeder, voor wie Jehovah tijdens alle beproevingen heeft gezorgd, geeft anderen de volgende raad: „Als je in de gevangenis zit, laat dan alles gewoon aan Jehovah over. Wacht op hem. Stel vertrouwen in hem. Pieker niet te veel. Wees getrouw.”
In een bepaald gebied in Zimbabwe werden kinderen van Jehovah’s Getuigen van school gestuurd omdat zij niet deelnamen aan politieke schoolactiviteiten. Hiermee nog niet tevreden, brandden plaatselijke benden zelfs de huizen van de ouders plat en vernietigden hun oogst. De gezinnen van Getuigen moesten voor hun leven vluchten en vee en andere bezittingen achterlaten. De kwestie werd echter opgenomen met hogere regeringsautoriteiten, die zo vriendelijk waren ervoor te zorgen dat de gezinnen naar hun huizen konden terugkeren. Zij kregen hun vee terug, en de regering heeft stappen gedaan om de broeders schadevergoeding te geven. Jehovah’s Getuigen hebben er werkelijk waardering voor wanneer „superieure autoriteiten” zich op deze wijze ’Gods dienaressen tot hun welzijn’ betonen (Romeinen 13:1-4). Door dit alles werd een voortreffelijk getuigenis gegeven en de plaatselijke bevolking toont nu veel belangstelling voor de Koninkrijksboodschap. Zoals een van de broeders het uitdrukte: ’Wij weten dat Jehovah zulke situaties kan laten uitlopen op een getuigenis voor zijn naam.’
Het afgelopen dienstjaar is gebleken dat Jehovah’s zegen op het werk in Malawi rust. Alleen in gebieden waar plaatselijke dorpelingen haat in hun hart koesteren, werden de Getuigen lastig gevallen. Het volgende bericht getuigt hiervan: „In veel delen van het veld is de situatie rustig. Maar in één gemeente werden twee gezinnen van Getuigen ernstig gemolesteerd door de jeugdverenigingen. Het hoofd van een van deze gezinnen werd zo hevig geslagen dat hij vier uur lang bewusteloos was. Vervolgens werd hij naar het politiebureau gebracht, waar ook de dienstdoende agent hem en de anderen die samen met hem waren opgebracht, bleef slaan. Toen werd de dienst echter overgenomen door een andere, vriendelijke politieman. Hij liet de broeders vrij en stuurde hen weer naar huis, en zij dankten Jehovah voor deze onverwachte bevrijding. Later kwam aan het licht dat persoonlijke haat van de zijde van nauwe bloedverwanten de oorzaak van dit incident was. Ons bezoekersaantal op de Gedachtenisviering van dit jaar was aanmoedigend. Er waren 23.476 aanwezigen. Dit laat zien dat er hier in Malawi nog steeds „schapen” zijn die geholpen moeten worden discipelen van Jezus Christus te worden.”
Een land in Oost-Europa zond deze waarderende boodschap: „Wij zijn dankbaar voor het nauwe contact dat wij via alle kanalen van Jehovah’s aardse organisatie mogen hebben met het Besturende Lichaam. Hierdoor krijgen wij de gelegenheid te zien hoe onze hemelse Vader, door bemiddeling van zijn Zoon en alle engelen, zijn schapen in deze tijd bijeenbrengt en hoe wij daar een bescheiden aandeel aan kunnen hebben. Wat een voorrecht! Onze Vader heeft onze inspanningen gezegend met toename. Deze zegen heeft ertoe geleid dat er meer tijd in het veld besteed is, dat er meer hulppioniers zijn die ijverig het goede nieuws prediken en dat er nog nooit zoveel gebonden boeken in het veld zijn uitgeleend of verspreid.”
De hedendaagse horen van het Jubeljaar heeft luid en duidelijk weerklonken. De op de vorige bladzijden afgedrukte tabel met het bericht laat zien hoe Jehovah’s Getuigen in alle delen van de aarde op die roep reageren.