Jezus’ leven en bediening
Vier discipelen worden geroepen
NA DE moordaanslag op Jezus in zijn woonplaats Nazareth verhuist hij naar de stad Kapérnaüm bij de Zee van Galiléa. Hierdoor wordt nog een profetie van Jesaja vervuld, de profetie waarin werd voorzegd dat mensen van Galiléa die bij de zee woonden een groot licht zouden zien.
Tijdens zijn Koninkrijksprediking hier, waardoor de mensen het licht helder zien schijnen, spoort Jezus vier van zijn discipelen op. Dezen waren voorheen met hem meegereisd, maar toen zij met Jezus uit Judéa thuiskwamen, waren zij naar hun vissersbedrijf teruggekeerd. Waarschijnlijk zoekt Jezus hen nu op, want het wordt tijd om vaste, geregelde helpers te hebben die hij kan opleiden zodat zij de bediening kunnen voortzetten als hij er niet meer is.
Als Jezus dus langs de kust loopt en Simon Petrus en diens metgezellen hun netten ziet spoelen, gaat hij naar hen toe. Hij stapt in de boot van Petrus en vraagt hem een eindje van het land af te steken. Als zij op enige afstand van de kust zijn, gaat Jezus zitten in de boot en onderwijst de scharen die zich aan de oever hebben verzameld.
Later zegt Jezus tegen Petrus: „Steek af naar het diepe, en werpt uw netten uit voor een vangst.”
„Onderwijzer,” antwoordt Petrus, „wij hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen, maar op uw verzoek zal ik de netten neerlaten.”
Wanneer de netten neergelaten worden, vangen de mannen zo veel vis dat de netten dreigen te scheuren. Dringend wenken zij hun compagnons in een boot in hun buurt om hen te komen helpen. Weldra zijn beide boten gevuld met zo veel vis dat ze dreigen te zinken. Als Petrus dit ziet, werpt hij zich voor Jezus neer en zegt: „Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig man.”
„Wees niet langer bevreesd”, antwoordt Jezus. „Voortaan zult gij mensen levend vangen.”
Jezus nodigt ook Petrus’ broer Andréas uit. „Komt achter mij”, verzoekt hij hun dringend, „en ik zal u vissers van mensen maken.” Hun compagnons in de visserij, Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, ontvangen dezelfde uitnodiging en ook zij gaan er onmiddellijk op in. Deze vier mannen laten dus hun vissersbedrijf in de steek en worden de eerste vier vaste, geregelde volgelingen van Jezus. Lukas 5:1-11; Matthéüs 4:13-22; Markus 1:16-20; Jesaja 9:1, 2.
◆ Waarom nodigt Jezus zijn discipelen uit hem te volgen, en wie zijn zij?
◆ Welk wonder maakt Petrus bang?
◆ Voor welk soort visserswerk nodigt Jezus zijn discipelen uit?