Vragen van lezers
◼ Zijn er uitdrukkingen die wij moeten vermijden als wij tot Jehovah bidden?
Ja, die zijn er. Wij dienen in onze gebeden geen dingen te zeggen die al te gemeenzaam klinken en bij anderen (in geval van openbare gebeden) de suggestie wekken dat wij oneerbiedig zijn. Uitdrukkingen als „Goedemiddag, Jehovah” en „Onze hartelijke groeten aan Jezus” zijn niet gepast, en humoristische opmerkingen of zelfs grapjes zijn in onze gebeden al evenmin op hun plaats. Waarom?
Eén reden is dat zulke uitdrukkingen, wanneer ze in openbare gebeden worden gebruikt, de toehoorders vermoedelijk zullen schokken of ergeren (Romeinen 14:21). Maar er is een nog ernstiger reden waarom dergelijke uitdrukkingen, zelfs in onze persoonlijke gebeden, vermeden dienen te worden. Dit zijn uitdrukkingen die wij in gesprekken tussen gelijken gebruiken. Indien ze in gebeden worden gebezigd, suggereren ze een gebrek aan eerbied en respect en wekken ze de indruk dat degene die aldus bidt, vergeten is hoe volstrekt nietig hij in vergelijking tot Jehovah is. — Genesis 18:27; vergelijk Lukas 18:9-14.
Het is waar dat christenen worden aangemoedigd een hechte band met Jehovah te ontwikkelen. Wij hebben hem lief en hij is onze hemelse Vader (Matthéüs 6:9; 22:37). In feite kunnen sommige mensen zelfs zijn vrienden genoemd worden (Jakobus 2:23). Bovendien worden wij uitgenodigd vrijmoedig tot Jehovah te spreken en onze diepste gedachten en meest intieme problemen aan hem voor te leggen. — Psalm 55:1, 2; Filippenzen 4:6; Hebreeën 4:16; 1 Johannes 3:21, 22.
Niettemin verlangt Jehovah een gepaste houding van degenen die tot hem naderen. Hij zei: „Op deze dan zal ik zien, op de ellendige en de verslagene van geest en die voor mijn woord beeft” (Jesaja 66:2). Een oprecht hart is ook een vereiste. „Keert tot mij terug met heel uw hart”, zei Jehovah tot zijn volk (Joël 2:12, 13). Tegenover hem kunnen wij geen aanspraak maken op verdienste, hebben wij geen reden ons iets aan te matigen en geen recht om iets te eisen.
Voorts geeft de bijbel de volgende raad aan hen die tot Jehovah bidden: „Laten de mensen hem . . . vrezen. Hij slaat geen acht op al degenen die wijs zijn in hun eigen hart.” „Aan de begeerte van hen die hem vrezen, zal hij voldoen, en hun hulpgeschreeuw zal hij horen, en hij zal hen redden” (Job 37:24; Psalm 145:19; zie ook Psalm 39:5, 12). Hoewel Jehovah dus altijd bereid is naar onze gebeden te luisteren, dient uit de wijze waarop wij ons tot hem richten derhalve het besef van onze eigen onwaardigheid en tevens onze diepe eerbied voor hem te blijken. Elke andere wijze om tot God te naderen zou doen denken aan aanmatiging, gebrek aan nederigheid of gebrek aan ernst.
Soms gebruiken kinderen in hun gebeden heel gemeenzame uitdrukkingen, die zelfs hun ouders doen glimlachen. Zulke uitdrukkingen zijn een vertederende demonstratie van kinderlijke onschuld en laten zien hoe werkelijk Jehovah voor hen is. Toch dienen volwassenen, die beter beseffen wat erbij betrokken is, het te vermijden zich luchthartig uit te drukken. Zij dienen oprecht, eerbiedig, nederig, waardig en ernstig tot Jehovah te naderen. — 1 Korinthiërs 13:11.