Vragen van lezers
◼ Hebreeën 3:1-6 spreekt over Mozes, Jezus en Jehovah God in verband met een „huis”, maar welk „huis” wordt hier bedoeld?
In de grond der zaak duidde de apostel Paulus Gods volk of gemeente aan als een „huis”.
Hebreeën 3:1-6 luidt: „Dientengevolge, heilige broeders, deelgenoten van de hemelse roeping, beschouwt de apostel en hogepriester die wij belijden — Jezus. Hij was getrouw aan Degene die hem zo gemaakt heeft, zoals ook Mozes het was in Diens gehele huis. Want de laatste wordt meer heerlijkheid waardig gekeurd dan Mozes, aangezien hij die het huis bouwt, meer eer heeft dan het huis. Natuurlijk wordt elk huis door iemand gebouwd, maar hij die alle dingen heeft gebouwd, is God. En Mozes was als dienaar getrouw in Diens gehele huis, tot een getuigenis van de dingen die later gesproken zouden worden, maar Christus was getrouw als Zoon over Diens huis. Diens huis zijn wij, indien wij onze vrijmoedigheid van spreken en ons roemen over de hoop tot het einde toe stevig vasthouden.”
Eerder had Paulus gezegd dat Jezus, als Gods Zoon, een naam had geërfd die uitnemender was dan die van de engelen. De apostel wees er ook op dat indien er aandacht moest worden geschonken aan het woord van de Wet die God door bemiddeling van engelen aan Mozes had overgebracht, dat des te meer het geval was met het woord dat door de Zoon was gesproken (Hebreeën 1:1-4; 2:1-4). Vervolgens ging Paulus er in Hebreeën hoofdstuk 3 mee voort Jezus’ superioriteit te beklemtonen.
Als achtergrond in verband met deze kwestie kunnen wij terugdenken aan de gelegenheid dat God, nadat Mirjam en Aäron zich hadden beklaagd over Mozes’ voorname rol in Israël, Mozes betitelde als ’mijn knecht aan wie mijn gehele huis wordt toevertrouwd (Numeri 12:7). De Septuaginta-vertaling gebruikt voor „toevertrouwd” de uitdrukking „getrouw in”. Aangezien Aäron als hogepriester toegang had tot de tabernakel (zelfs tot het Allerheiligste), moet God gedoeld hebben op de natie of gemeente Israël als Zijn „huis” waarin Mozes Zijn knecht was. Hierop zinspeelde Paulus klaarblijkelijk in Hebreeën 3:2. Hij zei dat Jezus getrouw was aan God, juist zoals Mozes het was geweest „in Diens gehele huis”. Maar vervolgens schreef Paulus dat Jezus ’meer heerlijkheid waardig wordt gekeurd dan Mozes’. Waarom?
Paulus redeneerde dat „hij die het huis bouwt, meer eer heeft dan het huis”. Ieder die wel eens een letterlijk huis heeft gebouwd, zou daarmee instemmen. Paulus zei derhalve dat Jezus, de Zoon van God, meer eer verdiende dan Mozes, omdat Jezus een huis had gebouwd, terwijl Mozes dat niet had gedaan. Natuurlijk erkende Paulus dat de uiteindelijke eer voor alle dingen aan God toekomt. — Hebreeën 3:3, 4.
Paulus bouwde zijn redenering verder uit door te zeggen dat Mozes een getrouwe ’dienaar in het huis’ was (Hebreeën 3:5). Ja, Mozes was zelf in of maakte deel uit van de gemeente of het „huis” van Israël. Maar hoe stond het met Degene die later zou komen, de Messiaanse profeet die door Mozes was afgeschaduwd en voorzegd? (Deuteronomium 18:18, 19; Johannes 1:21, 25; Handelingen 3:22, 23) Die profeet zou meer zijn dan een getrouwe dienaar in het huis van Israël. Paulus schreef dat Christus een Zoon over Diens huis’, het huis van Jehovah God, was. Over het huis van Israël? Neen, Paulus had iets groters in gedachten.
Terwijl Mozes overeenkomstig het Wetsverbond in een „huis” diende, beloofde Jehovah een betere regeling onder „een nieuw verbond” (Hebreeën 8:7-13: Jeremia 31:31-34). Het nieuwe verbond is gesloten met het huis of de natie van het geestelijke Israël (Galáten 6:16). Paulus verklaarde dan ook: „Diens huis zijn wij, indien wij onze vrijmoedigheid van spreken . . . stevig vasthouden.” — Hebreeën 3:6; vergelijk 1 Timótheüs 3:15; 1 Petrus 2:5; Matthéüs 16:18.
Het „huis” waarin Mozes diende, was dus de vleselijke gemeente Israël, maar het „huis” dat Jezus bouwt en waarover hij dient, is de gemeente van geestelijke Israëlieten die hun „hoop tot het einde toe stevig vasthouden”. — Hebreeën 3:6.