Vragen van lezers
◼ Waarom zeggen Jehovah’s Getuigen dat er een toekomstig Paradijs op aarde zal zijn, aangezien 2 Korinthiërs 12:1-4 „paradijs” in verband brengt met „de derde hemel”?
De context geeft te kennen dat het in 2 Korinthiërs 12:1-4 genoemde „paradijs” geen letterlijk paradijs op aarde is. Veel bijbelpassages tonen echter aan dat God een letterlijk paradijs op onze aarde zal herstellen.
Het eerste paradijs dat mensen hebben gekend, was ontegenzeglijk een letterlijk paradijs. Adam en Eva woonden in een schitterend park of een prachtige tuin — de grondbetekenis van het Hebreeuwse, Griekse en Perzische woord dat met paradijs is vertolkt. Zij hadden het vooruitzicht zich in dat paradijs eindeloos in geluk en een goede gezondheid te verheugen. Toch ging dat aardse paradijs voor hen verloren toen zij tegen God in opstand kwamen en zondigden, hetgeen God ertoe bracht hen uit de hof van Eden te verdrijven.
Wat betekent dit voor ons, nu en voor de toekomst? Er is beslist niets wat erop duidt dat onze planeet thans in een paradijs wordt veranderd. In plaats daarvan grijpen verontreiniging en verwoesting om zich heen (Openbaring 11:18). Toch is het ondenkbaar dat Gods voornemen om de aarde in een wereldomvattend paradijs te veranderen, zal falen; hij zal datgene waarmee hij is begonnen, ook voleindigen. Met het oog hierop heeft hij zijn Zoon gezonden om een losprijs te verschaffen, waardoor hij de basis legde voor het vergeven van onze zonden en het wegnemen van de onvolmaaktheid die wij van Adam hebben geërfd (1 Timótheüs 2:5, 6; Romeinen 5:18). Wanneer dat is volbracht, zullen mensen zich kunnen verheugen in wat Adam en Eva in het vooruitzicht werd gesteld, eindeloos leven. Waar?
Gods oorspronkelijke voornemen was dat mensen eindeloos leven zouden genieten in een Paradijs op aarde, en Gods voornemen kan niet falen of worden verijdeld (Jesaja 55:11). Kunnen wij er derhalve niet naar uitzien ons hier op deze planeet Aarde, wanneer deze in een paradijselijke toestand is gebracht, in eindeloos leven te verheugen? Er zijn talloze bewijzen in de bijbel dat dit de juiste zienswijze is, dat Gods wil alsnog zal ’geschieden, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde’ (Matthéüs 6:10; Openbaring 21:4, 5). Zie voor een uitgebreidere bespreking van het bijbelse bewijs voor deze gedachte het artikel, „Belooft de bijbel een aards Paradijs?” in De Wachttoren van 15 januari 1984.
Maar hoe staat het met de woorden van de apostel Paulus in 2 Korinthiërs 12:1-4? Hij zei onomwonden dat hij „bovennatuurlijke visioenen en openbaringen van de Heer” besprak. En klaarblijkelijk was hij degene die een speciaal visioen of extatisch inzicht ontving met betrekking tot iets wat in zijn tijd nog in de toekomst lag. Hij zei dat hij „werd weggerukt tot in het paradijs”. Maar aangezien hij ook over een „derde hemel” sprak, schijnt het dat hij naar iets geestelijks verwees, naar iets wat verschilde van een letterlijke paradijstuin. Hij had daar een precedent voor.
In veel profetieën in de Hebreeuwse Geschriften was voorzegd dat de joden die in Babylon gevangenzaten, naar hun geboorteland teruggebracht zouden worden. Behalve de aanwijzingen dat het land en de toestand van de letterlijke omgeving erop vooruit zouden gaan, gaven deze profetieën te kennen dat er een verandering zou komen in de mensen, de herstelde joden. Jesaja schreef bijvoorbeeld dat Jehovah ’hun beenderen kracht zou geven en dat zij als een welbesproeide tuin zouden worden’ en „grote bomen der rechtvaardigheid” genoemd zouden worden, „de planting van Jehovah, opdat hem luister wordt verleend” (Jesaja 58:11; 61:3; vergelijk Psalm 1:3). In verband met een vroegere periode gebruikte Jesaja een overeenkomstige beeldspraak en schreef hij dat toen de Israëlieten getrouw waren aan Jehovah, zij als zijn wijngaard of planting waren; toen zij ontrouw waren, waren zij als wijnstokken die wilde druiven voortbrachten en bestemd waren voor verbranding — er groeiden doornstruiken en onkruid op die plaats. — Jesaja 5:1-7.
Er is dus een bijbelse reden om datgene wat Paulus zei met betrekking tot het visioen waarover hij in 2 Korinthiërs 12:4 spreekt, op te vatten als een verwijzing naar een toekomstig herstel van geestelijke voorspoed onder Gods aanbidders. Hij voorzei zelfs dat er vóór de „tegenwoordigheid” van de Heer een afval van het ware christendom zou plaatsvinden (Handelingen 20:29, 30; 2 Thessalonicenzen 2:3-8). Dat zou echter geen blijvende situatie zijn. De ware christelijke gemeente, „Gods akker, die wordt bebouwd”, zou opnieuw opbloeien en vruchtbaar zijn (1 Korinthiërs 3:9). Wij begrijpen dat dit het paradijs is dat Paulus in zijn visioen zag. Zijn verwijzing naar dit geestelijke paradijs doet echter in geen enkel opzicht afbreuk aan de vele bijbelse beloften over een naderend aards Paradijs, een Paradijs dat in overeenstemming met Gods oorspronkelijke voornemen met betrekking tot de aarde, hersteld zal worden.