De gebeden in de Psalmen kunnen u troost schenken
Weinig mensen hebben meegemaakt dat zij bijna verdronken, door een enorm grote vis werden opgeslokt en dit alles overleefden, zodat zij het konden navertellen. Eén man met wie dit wel gebeurde, was Jona. De situatie waarin hij verkeerde, was inderdaad uniek onder de mensheid. Toen hij zijn bijzonder ongewone ervaring meemaakte, kon hij in de gebeden waarin hij dringend om hulp vroeg, evenwel gedachten gebruiken die in bepaalde geïnspireerde Psalmen staan opgetekend. Vergelijk de volgende woorden van Jona met die welke in de Psalmen worden aangetroffen.
„Uit mijn benauwdheid riep ik tot Jehovah, en hij antwoordde mij toen.” — Jona 2:2a.
„Tot Jehovah riep ik in mijn nood, en hij antwoordde mij voorts.” — Ps. 120:1.
„Uit de buik van Sjeool schreeuwde ik om hulp.” — Jona 2:2b.
„Uit de diepten heb ik u aangeroepen, o Jehovah.” — Ps. 130:1.
„Gij hoordet mijn stem.” — Jona 2:2c.
„O Jehovah, hoor toch mijn stem.” — Ps. 130:2.
„Toen gij mij in de diepten wierpt, in het hart van de open zee, omgaf mij voorts een rivier.” — Jona 2:3a.
„Ik ben in diepe wateren gekomen, en een snel vlietende stroom zelf heeft mij meegesleurd.” — Ps. 69:2.
„Al uw brandingen en uw golven — over mij zijn ze heengeslagen.” — Jona 2:3b.
„Al uw brandingen en uw golven — over mij zijn ze heengeslagen.” — Ps. 42:7.
„En wat mij betreft, ik zei: ’Ik ben van voor uw ogen verdreven! Hoe zal ik uw heilige tempel weer aanschouwen?’” — Jona 2:4.
„Wat mij betreft, ik zei toen ik in paniek geraakte: ’Ik zal stellig worden uitgeroeid van voor uw ogen.’” — Ps. 31:22.
„Wateren omgaven mij zelfs tot aan de ziel; de waterdiepte zelf bleef mij omsluiten. Zeewier was om mijn hoofd gewonden.” — Jona 2:5.
„De wateren zijn helemaal tot aan de ziel gekomen.” — Ps. 69:1.
„Tot de grondvesten van de bergen daalde ik neer. Wat de aarde betreft, haar grendels waren voor onbepaalde tijd op mij. Maar uit de kuil bracht gij vervolgens mijn leven omhoog, o Jehovah, mijn God.” — Jona 2:6.
„O Jehovah, gij hebt mijn ziel uit Sjeool zelf doen opkomen; gij hebt mij in het leven gehouden, opdat ik niet in de kuil zou afdalen.” — Ps. 30:3.
„Toen mijn ziel binnen in mij bezweek, was Jehovah Degene die ik gedacht.” — Jona 2:7a.
„Voor hem bleef ik over mijn eigen nood vertellen, toen mijn geest in mij bezweek.” — Ps. 142:2, 3.
„Toen kwam mijn gebed tot u, in uw heilige tempel.” — Jona 2:7b.
„Uit zijn tempel hoorde hij toen mijn stem.” — Ps. 18:6.
„Wat degenen betreft die op de afgoden van onwaarheid acht slaan, zij laten hun eigen liefderijke goedheid varen.” — Jona 2:8.
„Ik haat werkelijk hen die achting betuigen aan waardeloze, ijdele afgoden; wat mij evenwel betreft, ik vertrouw werkelijk op Jehovah.” — Ps. 31:6.
„Wat mij betreft, met de stem van dankzegging wil ik u slachtoffers brengen. Wat ik plechtig beloofd heb, wil ik betalen.” — Jona 2:9a.
„Breng God dankzegging als uw slachtoffer, en betaal de Allerhoogste uw geloften.” — Ps. 50:14.
„Redding behoort Jehovah toe.” — Jona 2:9b.
„Redding behoort Jehovah toe.” — Ps. 3:8.
Evenals Jona de taal van zulke Psalmen op zijn eigen omstandigheden van toepassing kon brengen, kunnen ook wij dit doen. Daarom kunt u, ongeacht de situatie waarin u op het ogenblik verkeert, troost en aanmoediging putten uit de gebeden die in het boek Psalmen staan opgetekend.