Vragen van lezers
◼ Mijn zoon, die als tiener is gedoopt, is nu gehuwd en heeft een gezin. Door de druk die op hem wordt uitgeoefend om in zijn levensonderhoud te voorzien, is zijn liefde voor de waarheid verkoeld en gaat hij niet meer met de gemeente om. Dient hij als een persoon te worden bezien die zich heeft „teruggetrokken”?
Niets in uw beschrijving duidt erop dat een dergelijk standpunt ingenomen zou moeten worden. De vraag is misschien gerezen doordat niet goed wordt begrepen wat het betekent als iemand bezien te worden die zich heeft „teruggetrokken”.
In De Wachttoren van 1 december 1981, op de bladzijden 16 en 17, werd aangetoond dat er een verschil bestaat tussen (a) een christen die geestelijk zwak en inactief wordt en (b) een persoon die duidelijk loochent dat hij een van Jehovah’s Getuigen is, hetgeen de gemeentelijke ouderlingen ertoe brengt bekend te maken dat hij zich heeft „teruggetrokken”. Het schijnt dat uw zoon overeenkomt met de eerste beschrijving.
In De Wachttoren werd vermeld dat sommige christenen zwak worden in hun geloof en geestelijke gezindheid. Dit gebeurde ook in de eerste eeuw (Rom. 14:1, 2; 1 Kor. 11:30). Het wil niet zeggen dat zij geen christenen meer zijn. Ook al worden zij zo zwak dat zij niet langer het „goede nieuws” met anderen delen en geen vergaderingen meer bezoeken — zonder evenwel smaad op de christelijke gemeente te werpen — moeten zij nog steeds als onze geestelijke broeders en zusters worden beschouwd. Wij dienen het verlangen te hebben hen liefdevol te helpen, waarbij wij de raad van de apostel Paulus opvolgen: „Wij [vermanen] u, broeders, wijst de wanordelijken terecht, spreekt bemoedigend tot de terneergeslagen zielen, ondersteunt de zwakken, weest lankmoedig jegens allen.” Hoewel de ouderlingen hier vaak de leiding in nemen, dient opgemerkt te worden dat deze raad tot de gehele „gemeente van de Thessalonicenzen” werd gericht (1 Thess. 1:1; 5:14). De ouderlingen en anderen zouden daarom liefdevolle hulp en aanmoediging kunnen geven, waarbij zij de volgende raad in gedachte houden: „Richt de neerhangende handen en de verslapte knieën op, en blijft rechte paden voor uw voeten maken, opdat wat kreupel is niet ontwricht raakt, maar veeleer gezond gemaakt wordt.” — Hebr. 12:12, 13; Openb. 3:1-3.
Met een voormalige christen die zich heeft „teruggetrokken”, is het heel anders gesteld. Deze aanduiding wordt strikt genomen op twee situaties van toepassing gebracht:
In de eerste plaats, hoewel dit ongewoon is, zou iemand de beslissing kunnen nemen dat hij absoluut niet langer een Getuige wenst te zijn. Wij bedoelen niet iemand zoals hierboven is beschreven, een geestelijk zwakke of ontmoedigde christen die enkele twijfels tot uitdrukking zou kunnen brengen. In plaats daarvan bedoelen wij iemand die resoluut verklaart dat hij absoluut niet langer een van Jehovah’s Getuigen is. Aangezien hij in het verleden vrijwillig een gedoopt lid van de gemeente is geworden, zou het nu passend zijn wanneer hij de gemeente ervan in kennis stelt dat hij een eind maakt aan deze verhouding. Het zou het beste zijn wanneer hij dit in een korte brief aan de ouderlingen doet, maar zelfs wanneer hij op ondubbelzinnige wijze mondeling verklaart dat hij niet langer een Getuige is, kunnen de ouderlingen de kwestie aanpakken. — 1 Joh. 2:19.
De tweede situatie betreft een persoon die zijn positie in de gemeente vaarwel zegt door zich aan te sluiten bij een wereldse organisatie wier doeleinden in strijd zijn met raad zoals die welke wordt aangetroffen in Jesaja 2:4, waar wij over Gods dienstknechten lezen: „Zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen moeten slaan en hun speren tot snoeimessen. Natie zal tegen natie geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.” Ook zijn Gods dienstknechten, zoals in Johannes 17:16 wordt gezegd, „geen deel van de wereld, evenals ik [Jezus] geen deel van de wereld ben”. — Vergelijk Openbaring 19:17-21.
In elk van deze twee situaties heeft de persoon door zijn woorden en/of daden duidelijk te kennen gegeven dat er een einde is gekomen aan zijn status als een van Jehovah’s Getuigen, doordat hij zich heeft teruggetrokken. Daarom zullen de ouderlingen kort aan de gemeente bekendmaken dat deze persoon zich heeft teruggetrokken. De gemeenteleden zullen de beslissing van de persoon accepteren en zullen hem daarna beschouwen als een voormalige broeder met wie zij geen omgang zullen willen hebben, hetgeen in overeenstemming is met wat wij lezen in 1 Korinthiërs 5:11 en 2 Johannes 9-11.
Zoals duidelijk zal zijn, is de geestelijk zwakke en inactieve zoon ten aanzien van wie de vraag werd gesteld, niet iemand geworden die zich in een van deze twee betekenissen heeft „teruggetrokken”, terwijl ook in de gemeente niet een dergelijke bekendmaking is gedaan. Het zal derhalve nog steeds mogelijk zijn hem te helpen in de geest van Romeinen 15:1: „Wij evenwel, die sterk zijn, behoren de zwakheden te dragen van hen die niet sterk zijn.” — Zie ook Jesaja 35:3.