Vragen van lezers
● Op mijn werk krijgen alle werknemers een kerstgratificatie. Moet ik de gratificatie afslaan, omdat ik niet in Kerstmis geloof?
Dat hangt af van wat de gratificatie in werkelijkheid beduidt en hoe aanvaarding ervan bezien zou worden.
Zoals wij vaak hebben aangetoond, zijn Kerstmis en veel andere feestdagen van de christenheid niet op de bijbelse feiten gebaseerd. In werkelijkheid zijn ze aan niet-christelijke aanbidding ontleend.a De bijbel gebiedt christenen slechts één religieuze viering te onderhouden, de jaarlijkse herdenking van Christus’ dood. — Luk. 22:19, 20.
Zou het aannemen van een „kerstgratificatie” betekenen dat men aan dat feest deelneemt? Misschien niet. Misschien wordt de gratificatie helemaal niet beschouwd als een aanduiding dat elke ontvanger het kerstfeest viert. De werkgever kan eenvoudig verkiezen al zijn werkers aan het einde van het jaar een aandeel in de bedrijfswinst te geven, in een tijd waarin velen van hen het in het bijzonder zouden waarderen een som ineens te ontvangen om die naar believen te gebruiken. De gratificatie kan een bewijs van dankbaarheid zijn voor diensten die gedurende het gehele jaar zijn bewezen, alsook een stimulans vormen voor verder goed werk en een soepele werkgever-werknemerverhouding. De werkgever kan de toelage aan alle werknemers geven, ongeacht of sommigen, zoals joden, moslims of anderen, niet in Kerstmis geloven. De tijd waarin de gift wordt gegeven of de naam die ermee verbonden is geraakt, maakt deze dus niet noodzakelijkerwijs onaanvaardbaar voor een van Jehovah’s Getuigen.
En ook al zou de tijd waarop iemand een geschenk geeft, gebaseerd zijn op een religieuze overtuiging, wil dit nog niet zeggen dat men ervan uitgaat dat de ontvanger de religieuze zienswijze onderschrijft. Een collega of familielid zal vaak tegen een van Jehovah’s Getuigen zeggen: ’Ik weet dat je geen Kerstmis (of een ander feest) viert, maar ik zou je dit toch heel graag als een geschenk van mij willen geven.’ Indien een christen het geschenk met een gerust geweten kan aanvaarden, zou hij dit kunnen doen en ervoor kunnen bedanken zonder enige melding te maken van de feestdag (Hand. 23: 1). Menig christen heeft zo’n handelwijze gevolgd wanneer iemand die niet op de hoogte was van zijn geloof, hem een geschenk gaf. Misschien kan een christen op een ander tijdstip, wanneer het minder waarschijnlijk is dat hij aanstoot veroorzaakt, tactvol vermelden dat hij dat religieuze feest niet viert en kan hij op een vriendelijke, zachtaardige wijze uitleggen dat dit de reden was waarom hij op die feestdag zelf geen geschenk had gegeven. — 1 Petr. 3:15.
Indien een geschenk echter wordt gegeven met de duidelijke bedoeling om te doen uitkomen dat de christen niet krachtig aan zijn overtuiging vasthoudt of zal schipperen om er beter van te worden, is het beslist het beste het geschenk af te slaan. Jehovah God is degene die christenen moeten aanbidden. Voor hem alleen verrichten wij heilige dienst. — Matth. 4:8-10.
[Voetnoten]
a Zie De waarheid die tot eeuwig leven leidt, hfdst. 16.