In moeilijke tijden standvastig in het geloof blijven
EVENALS in de eerste eeuw woedt er thans in vele delen van de aarde vervolging tegen ware christenen. Net zoals christenen toen standvastig in het geloof bleven, doen zij dat ook in deze tijd. Tegen het einde van 1978 schreef een reizende opziener van Jehovah’s Getuigen aan het bijkantoor van het land waar hij dient, over een boosaardige vervolging die in een bepaald gebied tegen de Getuigen woedt. Hun standvastigheid treedt duidelijk aan het licht als nog een wonderbaarlijk voorbeeld van christelijke rechtschapenheid.
Volgens het verslag van de reizende opziener zeiden de onruststokers tegen een groep Getuigen: „We willen jullie gepredik over Jezus niet meer horen.” Maar zij antwoordden: „Wij zien niets verkeerds in wat Jezus deed. Dus is er niets verkeerds aan wanneer wij over hem prediken.”
Dit maakte de mannen woedend. Daarom dwongen zij de Getuigen — drie broeders en twee zusters — om al hun boeken naar een plaats ongeveer vijf kilometer verderop te brengen. Daar verbrandden zij de boeken. Vervolgens begonnen zij, nadat zij de broeders een eindje verder weg hadden gebracht, een van de zusters — nog maar een jong meisje — te slaan, terwijl de broeders toekeken. Zij keerden naar de broeders terug en zeiden: „Het meisje heeft gezegd dat jullie haar hebben gedwongen een Getuige te worden.” De jonge zuster die net was geslagen, hoorde dit echter en riep: „Dat is een leugen!”
Vervolgens werden de handen van een van de broeders achter op zijn rug vastgebonden. Hij werd net zo lang geslagen totdat hij bewusteloos was. Na „Weg met Jezus” geroepen te hebben, sloegen de folteraars een andere broeder en sneden zij een van zijn oren af. De derde broeder werd ook gemeen geslagen, waardoor hij bijna het gezicht in een van zijn ogen verloor. Maar ondanks deze wrede behandeling verloochende geen van de broeders zijn geloof.
Uiteindelijk namen zij de broeders mee naar de rivier, met de bedoeling hen te verdrinken. Onderweg baden de broeders zeer vurig. Toen veranderden de folteraars van gedachten en brachten zij hen naar huis terug. Daar werd hun gezegd drie maanden lang niet terug te gaan naar de stad waar de Koninkrijkszaal zich bevond. Toch ging een van de broeders de volgende zondag naar de vergadering in de stad.
Later werden dezelfde vijf Getuigen door een andere groep mannen aangesproken. „Door bemiddeling van wie naderen jullie tot God?” werd hun gevraagd. Een van de broeders antwoordde: „Door bemiddeling van Jezus.” Maar hij werd in de rede gevallen met de woorden: „Wij naderen tot God door bemiddeling van de geesten van onze voorouders.” En een andere ondervrager voegde eraan toe: „Jullie aanbidden dus jullie voorouders niet.” De Getuigen zwegen.
Toen nam een van de groep een zware stok en begon de broeders te slaan. Anderen sloten zich bij hem aan en sloegen hen met hun vuisten en trapten hen met hun laarzen. Na een tijdje werd een van de broeders van de anderen gescheiden en door een andere groep meegenomen om ondervraagd te worden. Men zei hem de leuze „Leve de oorlog” te herhalen. Omdat hij weigerde, werd hij opnieuw geslagen. Een van de folteraars zei: „Geef ons je andere wang, want Jezus zei dat als iemand je op de ene wang slaat, je hem de andere moet geven.”
De broeder gehoorzaamde en glimlachte, terwijl de anderen de spot met hem dreven. Degene die hem had gevraagd de andere wang toe te keren, sloeg hem echter niet nog eens, maar zei minachtend: „Je lijkt wel gek. Ga weg!” Anderen begonnen hem echter met de kolf van hun geweer en met hun vuisten te slaan, terwijl weer anderen hem met hun zware laarzen schopten. Tegen die tijd was hij er zeer slecht aan toe.
Nadat zij de broeder niet tot een compromis hadden kunnen brengen, brachten zij hem terug naar de oorspronkelijke groep folteraars. Dezen probeerden hem voortdurend ertoe over te halen een compromis te sluiten en de leuze „Leve de oorlog” te zeggen. „Het is maar een kleinigheid”, zeiden zij. Maar de broeder bleef standvastig en weigerde, ondanks verdere slagen, op dit punt te schipperen.
Tegen die tijd verscheen de vrouw van de broeder op het toneel. Toen de mannen vernamen wie zij was, probeerden zij haar over te halen haar man ertoe te brengen hun leuze te herhalen. Maar de zuster zweeg. Het was toen na middernacht, en toen pas — nadat de broeder de gehele dag deze folteringen had verduurd — gaven de vervolgers het op en gingen weg.
De volgende dag besloten de broeders rustig en ongemerkt te vertrekken, terwijl zij hun stuk land en hun bezittingen achterlieten om onnodige aandacht te vermijden. Zij vonden enkele Getuigen, en dezen hebben de zorg voor deze broeders, die zoveel hadden verduurd, op zich genomen.
Hoe is de houding van deze vervolgde Getuigen? ’Wij zijn vastbesloten om, mocht het nodig zijn, voor Jehovah’s naam te sterven’, zeggen zij. En dat is precies wat zij hun vervolgers vlak in het gezicht zeiden. Waartoe heeft dit bewaren van hun rechtschapenheid geleid? Om één ding te noemen, sommigen die zagen hoe zij deze wrede behandeling verduurden, heeft men later horen opmerken: „Jehovah is de ware God.”