Kunt u zich dit herinneren?
Hebt u de laatste uitgaven van De Wachttoren zorgvuldig gelezen? Zo ja, dan zult u zich ongetwijfeld de volgende punten herinneren:
● Hoe weten wij dat Psalm 45 profetisch is?
In Hebreeën 1:8, 9 worden vers 6 en 7 van Psalm 45 aangehaald en op Jezus Christus van toepassing gebracht. Daar staat dat Jehovah God als een „troon” voor zijn Zoon dient, hetgeen erop duidt dat de Allerhoogste de Bron van het koningschap van zijn Zoon is en Degene is die zijn koningschap schraagt. — 15/4 blz. 12, 13.
● Wat kan volgens Psalm 1 tot iemands geluk bijdragen?
Het is absoluut noodzakelijk de raad van goddeloze mensen te verwerpen en hun gezelschap te mijden. Iemand zal er daarentegen werkelijk genoegen in scheppen toe te geven aan zijn verlangen Jehovah’s wet te kennen en toe te passen. — 15/4 blz. 31.
● Waarom was het in de dagen van Ezra voor de joden belangrijk ongelovige, afgoden-aanbiddende vrouwen weg te zenden?
De joodse bevolking was betrekkelijk klein. Het sluiten van een huwelijk met ongelovigen zou, als het niet in de hand werd gehouden, er snel toe kunnen leiden dat de joden in de omliggende natiën werden opgenomen, en dan zou de zuivere aanbidding helemaal van de aarde verdwenen zijn. — 1/5 blz. 30, 31.
● Wat toonden de vooraanstaande mannen van de natie door na Israëls nederlaag te Ai hun mantels te scheuren, zich voor Jehovah in het stof te buigen, stof op hun hoofd te werpen en tot de avond voor de ark te blijven? — Joz. 7:6.
Dat zij hun gewaden scheurden en stof op hun hoofd wierpen, waren tekenen van verdriet. Door zich voor Jehovah in het stof te buigen, erkenden zij dat er de een of andere zonde tegen de Allerhoogste begaan was, die hem ertoe had gebracht zijn zegen in te trekken. Door tot de avond voor de ark te blijven, gaven zij blijk van hun grote bezorgdheid over de zaak en van hun vrees dat zij zich goddelijk misnoegen op de hals hadden gehaald. Daarom zagen zij naar Jehovah op voor hulp om de oorzaak van het probleem te vinden en zijn gunst te herwinnen. — 15/5 blz. 13.
● Hoe hadden de Israëlieten, als een verloofde maagd, liefde voor Jehovah getoond? — Jer. 2:2.
Voordat de Israëlieten bij de berg Sinaï zijn „vrouw” waren geworden, hadden zij aanvankelijk vertrouwen in de Allerhoogste getoond. Zij hadden de gelegenheid aangegrepen om Egypte te verlaten en hadden vervolgens een moeilijke reis door een onherbergzame wildernis ondernomen. — 1/6 blz. 9, 10.
● Hoe ’houdt de vrees voor Jehovah eeuwig stand’? — Ps. 19:9.
Toegewijde dienstknechten van Jehovah zullen voor eeuwig een gezonde vrees voor hun Maker hebben en die vrees tonen door zijn geboden te onderhouden. Er zal nooit een tijd komen dat deze eerbiedige vrees zal ophouden te bestaan. — 15/6 blz. 7.
● Hoe moeten wij Mozes’ woorden dat de Israëlieten Gods geboden ’op hun hart’ moesten hebben, begrijpen? — Deut. 6:6.
De goddelijke geboden moesten niet louter een kwestie van de geest of het geheugen zijn, maar moesten vanuit het hart gewaardeerd worden. Alleen als dat het geval zou zijn, zouden de Israëlieten de Schepper werkelijk liefhebben en in de positie verkeren zo’n liefde bij hun kinderen in te prenten. — 15/7 blz. 4.
● Waarom zijn ’jeugd en de bloei des levens ijdelheid’? — Pred. 11:10.
De dagen van jeugdige kracht en sterkte gaan snel voorbij omdat iemand niet altijd jong blijft. Een jongere kan zelfs in de bloei van zijn leven ziek worden en sterven. Degene die deze harde feiten over de jeugd negeert, blijft wellicht in gebreke een verstandig gebruik te maken van zijn fysieke energie en vermogens, zodat hij ze verspilt en aldus zijn leven als een volwassene alleen maar moeilijker maakt. — 15/7 blz. 11.