Vragen van lezers
● Lecithine wordt in bloed aangetroffen. En veel voedselprodukten bevatten lecithine als bestanddeel. Is deze lecithine afkomstig van bloed?
Neen, er is geen reden om dat te denken.
Lecithine is een natuurlijke substantie die de neiging heeft zich zowel met olie als met water te verbinden tot een emulsie met vele gebruiksmogelijkheden in de industrie. Commercieel wordt ze vaak in ijs, snoep en bakprodukten en ook in enkele cosmetica en chemische produkten toegepast. Maar hoe komt men aan deze lecithine?
Lecithine is een fosfolipide die in alle levende cellen wordt aangetroffen. De Encyclopedia Americana van 1977 verklaart: „De hoogste concentraties lecithinen worden in hersen- en zenuwweefsel en in rode bloedlichaampjes aangetroffen. Ze komen ook in grote hoeveelheden voor in eidooier en in enkele plantezaden.” — Deel 17, blz. 147.
Enkele christenen die lecithine als bestanddeel van voedingsmiddelen op etiketten vermeld zagen, maken zich hier zorgen over, omdat zij weten dat bloed lecithine bevat. De bijbel gebiedt christenen namelijk ’zich te onthouden van bloed’ (Hand. 15:28, 29). Daarom moeten zij vlees dat niet is uitgebloed en voedsel dat van bloed is vervaardigd, zoals bloedworst, niet eten. Aangezien rode bloedlichaampjes evenwel concentraties van lecithine bevatten, weigeren sommige christenen elk produkt dat lecithine als ingrediënt vermeldt. Anderen hebben zich genoodzaakt gevoeld fabrikanten te schrijven om de bron van lecithine in bepaalde voedingsmiddelen te weten te komen.
The Encyclopedia Americana vervolgt echter met te zeggen: „Lecithine wordt in de levensmiddelenindustrie als emulgator gebruikt, en wel voornamelijk bij de bereiding van margarine en chocolade. Lecithine voor industrieel gebruik wint men uit eieren of wordt verkregen als een bijprodukt bij de vervaardiging van sojaolie.” (Wij cursiveren.)
Omdat commerciële hoeveelheden betrekkelijk goedkope lecithine uit eieren of sojaolie verkregen kunnen worden, bestaat er geen reden waarom enige fabrikant zou proberen lecithine uit bloed te halen. Bij wijze van illustratie: Rode bloedlichaampjes bevatten ook ijzermoleculen. Maar het zou onzin zijn als een fabrikant zou overwegen ijzer uit bloed te halen om er pannen of andere ijzeren produkten van te maken, als dezelfde substantie (ijzer) voor een fractie van de kosten uit ijzererts verkregen kan worden.
Het blijkt dan ook dat lecithine voor commerciële doeleinden niet uit bloed komt. Christenen kunnen de bloedkwestie dus buiten beschouwing laten als zij op een etiket van het een of andere levensmiddel „lecithine” vermeld zien staan.
● Wat waren de „verscheidene dopen” die Paulus in Hebreeën 9:10 noemt? Doopten de Hebreeën proselieten?
Neen, de apostel Pauls verwees naar rituele wassingen die de Mozaïsche wet vereiste.
Met betrekking tot de aanbidding die met de tabernakel uit de oudheid was verbonden, schreef Paulus: „Deze tent is een illustratie voor de bestemde tijd die er thans is, en in overeenstemming daarmee worden er zowel gaven als slachtoffers gebracht. Deze kunnen echter hem die heilige dienst verricht, niet tot volmaaktheid brengen met betrekking tot zijn geweten, maar hebben slechts te maken met spijzen en dranken en verscheidene dopen. Het waren wettelijke vereisten betrekking hebbend op het vlees en opgelegd tot aan de bestemde tijd om dingen recht te zetten.” — Hebr. 9:9, 10.
De „verscheidene dopen” waren dus kenmerken van de aanbidding onder de Wet. Met betrekking tot bepaalde onreine dieren wordt er bijvoorbeeld in de Wet gezegd: „Alles nu waarop een van hen in hun doodstoestand mocht vallen, zal onrein zijn. . . . Elk vat dat maar enigszins wordt gebruikt, zal in water worden gelegd, en het moet tot de avond onrein zijn en dan rein zijn” (Lev. 11:32). Op overeenkomstige wijze moest iemand misschien, als onderdeel van zijn ceremoniële reiniging, zijn kleren wassen en zich baden (Lev. 14:8, 9; 15:5). Priesters waren verplicht zich te baden, en dingen die met brandoffers te maken hadden, werden in water gespoeld (Exodus 29:4; 30:17-21; Lev. 1:13; 2 Kron. 4:6). Tegen de tijd dat de Messías was gekomen, hadden de joden er vele reinigingsrituelen aan toegevoegd die niet door de Wet werden geëist. Jezus vertelt: „Wanneer zij van de markt terugkomen, eten zij niet zonder zich eerst door besprenkeling gereinigd te hebben; en zo zijn er nog vele andere overleveringen die zij hebben ontvangen en waaraan zij vasthouden: de doop van bekers en kannen en koperen vaten.” — Mark. 7:4.
In de eeuwen dat Israël Gods uitverkoren natie was, hoefden niet-joden die de aanbidding van Jehovah opnamen, niet gedoopt te worden, maar zij moesten zich wel laten besnijden (1 Kon. 8:41-43; Hand. 8:27). Johannes de Doper heeft als eerste de autoriteit gekregen anderen te dopen; hij doopte joden als symbool van hun berouw over zonden die zij tegen de Wet hadden begaan (Luk. 3:3). De waterdoop werd echter een vereiste voor degenen die het christendom aanvaardden. Zij konden hierdoor laten zien dat zij berouw hadden, zich hadden omgekeerd en zich aan God hadden opgedragen. — Matth. 28:19, 20; Hand. 22:16.
● Zijn christenen verplicht aangifte te doen van inkomsten uit ’bijbaantjes’ of fooien en er belasting over te betalen?
Het fundamentele antwoord luidt in deze tijd hetzelfde als toen Jezus een vraag over belasting beantwoordde: „Betaalt caesar daarom terug wat van caesar, maar God wat van God is” (Matth. 22:17-21). Indien de wet van het land voorschrijft dat een arbeider of werknemer belasting moet betalen over wat hij verdient, betalen christenen deze.
Op veel plaatsen ontvangt de overheid van de werkgever een verklaring van wat iemand verdient en worden de vereiste belastingen van iemands loon ingehouden. In zo’n geval geschiedt het afrekenen met de overheid gewoonlijk rechtstreeks. Indien een christen bij het berekenen en aangeven van zijn jaarlijkse inkomen ziet dat hij geld moet bijbetalen boven wat werd ingehouden, dient hij dat te doen. Of wanneer er, misschien omdat hij bepaalde wettelijk aftrekbare kosten heeft, te veel van zijn loon is ingehouden, kan hij teruggave aanvragen.
In sommige gevallen wordt echter van de persoon gevraagd zelf zijn inkomen aan te geven en dan moet hij alle belasting betalen, zoals wanneer iemand zelfstandig is of een eigen zaak heeft. Of de belasting is misschien door een werkgever over zijn vaste betrekking ingehouden, maar niet over een of andere tijdelijke werkkring of bijbaan waarvoor hij verantwoordelijk is de belasting te betalen. Niet iedereen betaalt belasting, te oordelen naar een kop in de New York Times van 15 januari 1978, die luidt: „Werk waarvan geen aangifte wordt gedaan, kost de V.S. waarschijnlijk miljarden aan belasting en kan de begroting benadelen.”
Wat precies als inkomsten wordt beschouwd waarover volgens de wet belasting moet worden betaald, is veelomvattend en verschilt van plaats tot plaats. In sommige landen wordt op lage inkomens die beneden een vastgestelde grens liggen, geen inkomstenbelasting geheven.a Maar wanneer het ’bijverdiensten’ zijn, en men een vaste betrekking heeft, eist de wet gewoonlijk dat men alles aangeeft en dat men over het gehele bedrag inkomstenbelasting betaalt. Ook worden op sommige plaatsen zelfs fooien, zoals een kelner in een restaurant wellicht ontvangt, door de regering als belastbaar inkomen beschouwd.
Wat staat de individuele christelijke arbeider of werknemer op grond van deze feiten te doen? Hij heeft de persoonlijke verantwoordelijkheid zich op de hoogte te stellen van de belastingwetten van het land en moet vervolgens eerlijk zijn en de belasting betalen die van hem wordt vereist. De apostel Paulus schreef: „Iedere ziel zij onderworpen aan de superieure autoriteiten. . . . Blijft het goede doen, en gij zult lof van [de superieure autoriteit] hebben. . . . Maar indien gij het slechte doet, vrees dan; want niet voor niets draagt ze het zwaard; want ze is Gods dienares, een wreekster voor het tot uitdrukking brengen van gramschap jegens degene die het slechte beoefent. Er is daarom een dwingende reden voor ulieden om in onderworpenheid te zijn, niet alleen vanwege die gramschap, maar ook vanwege uw geweten. . . . Geeft aan hem allen wat hun toekomt, aan hem die vraagt om de belasting, de belasting.” — Rom. 13:1, 3-5, 7.
Christelijke werknemers kunnen de wijsheid hiervan inzien. Op die manier vermijden zij het bijvoorbeeld gerechtelijk vervolgd te worden. Ook is er de kwestie van het bezitten van een rein geweten, wat beslist zeer waardevol is. Het hierboven aangehaalde kranteartikel vermeldde dat een regeringsfunctionaris over de omvang van de niet aangegeven inkomstenbelasting zei: „Alleen God weet hoeveel het is.” Die functionaris heeft misschien louter een alledaagse uitdrukking gebruikt. Maar ware christenen zijn ervan overtuigd dat God, die alles ziet, inderdaad weet wanneer een werknemer opzettelijk bedriegt, zoals door werk „zwart” te verrichten, om aldus te vermijden belasting te betalen. Om een rein geweten te bezitten, streven christelijke werknemers ernaar in alle opzichten eerlijk te zijn, met inbegrip van het betalen van hun belasting. — Hebr. 13:18.
Ook blijkt waar te zijn wat Paulus over het ontvangen van lof zegt. Jezus’ volgelingen zijn door functionarissen vaak geprezen om hun eerlijkheid en betrouwbaarheid inzake het betalen van belasting. Dit blijkt in het geval van een Afrikaans land waar Jehovah’s Getuigen werden vervolgd omdat zij zich niet aansloten bij de regerende politieke partij. Toen de regering de beschuldiging dat de Getuigen hun belasting niet betaalden, als openbaar voorwendsel gebruikte, wisten nadenkende mensen over de gehele aarde wel beter, aangezien zij de reputatie van de Getuigen kenden. Dr. K. Jubber schreef over deze vervolging: In gehoorzaamheid aan hun christelijke geloofsovertuiging betalen Jehovah’s Getuigen hun belasting, gehoorzamen zij de wet en zijn zij gewetensvolle werkers, . . . Het Wachttorengenootschap moedigt haar leden niet aan geen belasting te betalen: integendeel, het Genootschap schijnt ertoe aan te moedigen zich in dit opzicht aan de wet te houden.” — Social Compass, XXIV/1 1977, blz. 128, 130.
Ja, christenen dienen ernaar te streven de raad op te volgen die Jezus inzake het betalen van belasting heeft gegeven. Dit betekent niet dat anderen zich met iemands zaken moeten inlaten, uit argwaan dat hij misschien niet eerlijk is in deze kwestie; wij geloven dat christenen gewetensvol zullen zijn in het nakomen van caesars vereisten. Eerlijk en met de wens een goed geweten te bezitten, geven zij caesar de belasting waar hij om vraagt.
[Voetnoten]
a Het is mogelijk dat de wet toch vereist dat men aangifte doet van het inkomen en misschien andere vormen van belasting betaalt, zoals premies van sociale verzekeringen in Nederland.