„Een mand met zomerfruit”
Soms maakte Jehovah God gebruik van eenvoudige illustraties als hij een boodschap aan zijn profeten overbracht. Een voorbeeld hiervan treffen wij aan in Amos 8:1-3, waar staat: „Dit deed de [Soevereine] Heer Jehovah mij zien, en zie! er was een mand met zomerfruit. Toen zei hij: ’Wat ziet gij, Amos?’ Dus zei ik: ’Een mand met zomerfruit.’ En Jehovah zei vervolgens tot mij: ’Het einde is gekomen voor mijn volk Israël. Ik zal hen voortaan niet meer verschonen. „En de liederen van de tempel zullen werkelijk gejammer zijn op die dag”, is de uitspraak van de [Soevereine] Heer Jehovah. „Er zal menig lijk liggen. Op elke plaats zal men ze stellig naar buiten werpen — stil!”’” — Herziene Engelse uitgave van 1971.
In de Hebreeuwse tekst is er veel overeenkomst tussen de woorden voor „zomerfruit” („kajits”) en „einde” („keets”), waardoor een woordspeling ontstaat. De „mand met zomerfruit” duidt op het feit dat de oogst, en daarmee ook het boerenjaar, ten einde liep. Evenzo stond het ontrouwe Israël voor zijn einde. Jehovah God zou de zonden van het volk niet langer verschonen of vergeven. Wanneer zijn oordeel zou worden voltrokken, zouden de lofzangen die in de tempel werden gezongen, tot een „gejammer” worden, een luid en bitter klaaglied over de vele gevallenen. Met deze ontzagwekkende manifestatie van Gods ongenoegen in het verschiet paste nog slechts stilte.