Hun kritiek was voorbarig!
IN 1950 werden in het voorwoord van de New World Translation of the Christian Greek Scriptures bewijzen verschaft ter ondersteuning van het gebruik van de goddelijke naam in deze vertaling. Niettemin uitten bepaalde religieuze schrijvers kritiek op het feit dat hier nu de naam „Jehovah” in het „Nieuwe Testament” werd geplaatst. Aldus verklaarden zij een andere opvatting te zijn toegedaan dan David, die zong: „O maakt met mij Jehovah groot, en laten wij te zamen zijn naam verhogen.” Ps. 34:3; vergelijk Psalm 74:10, 18.
Een brochure, gepubliceerd door de rooms-katholieke Knights of Columbus, beschuldigde:
„De vroege christenen die het Nieuwe Testament schreven, gebruikten stellig niet [Jehovah] maar veeleer het woord ’Heer’, dat zij ook op Christus toepasten. Wij hebben hier dan ook een meelijwekkend voorbeeld hoe men met pseudogeleerdheid probeert het onverdedigbare te verdedigen.”
De presbyteriaanse geleerde Bruce M. Metzger achtte het ook ’onverdedigbaar’ en voegde eraan toe:
„Het invoeren van het woord ’Jehovah’ in de tekst van het Nieuwe Testament, . . . is een duidelijk staaltje van spitsvondigheid zonder bewijskracht.”
Jack P. Lewis, docent aan een opleidingsschool van de Church of Christ, schreef over het gebruik van „Jehovah”:
„Terwijl dat al twijfelachtig genoeg is in het Oude Testament, mist het iedere rechtvaardiging in het Nieuwe Testament.
En de baptistische predikant Walter R. Martin liet zich kleinerend uit over
„de oppervlakkige geleerdheid van Jehovah’s Getuigen, wier aanmatigende bewering dat zij een goede basis hebben om de goddelijke naam (Jehovah) weer in de Schrift terug te plaatsen, . . . een leeg, in geleerdheid verpakt bedrog blijkt te zijn.”
Hoe vermetel, dogmatisch en onbescheiden waren dergelijke uitingen van kritiek! Zoals de bijgaande artikelen echter laten zien, was deze kritiek volkomen ongegrond. Zelfs in de wetenschappelijke wereld geeft men nu toe dat Jezus’ discipelen de goddelijke naam hebben gebruikt, ja, die in het „Nieuwe Testament” hebben opgenomen.