Het volk dat „ertussenin” lag
„Joden onderhouden . . . geen betrekkingen met Samaritanen,” zei de schrijver van het Evangelie van Johannes (Joh. 4:9). En een onderzoek van joodse geschriften bevestigt dit feit. De bijbelgeleerde A. Edersheim schrijft hierover: „Men ging zelfs zo ver dat men hen van alle omgang buitensloot.” Toch kunnen we zeggen dat zij een volk waren dat „ertussenin” lag, aangezien de joden hen niet „als heidenen” bezagen, „maar [hen] op één lijn plaatsten met een onontwikkelde jood . . . zij werden niet als heidenen behandeld, en hun land, hun bronnen, baden, huizen en wegen verklaarde men rein”. Hoewel de Samaritanen in maatschappelijk opzicht veracht werden, bezagen de joden hen toch als mensen die bepaalde wettelijke en morele rechten bezaten, hetgeen ons helpt begrijpen dat Jezus wat water aan een Samaritaanse vrouw kon vragen, dat zijn discipelen eten in hun stad konden kopen en dat Jezus twee dagen bij hen kon blijven. — Joh. 4:7, 8, 40.