Geluk dat voortspruit uit een „gewillige geest”
„MAG IK HELPEN?” Deze drie kleine, vriendelijke woorden zeggen veel over een persoon. Wat tonen ze aan? Een „gewillige geest”. Iemand bij een belangrijk werk helpen of eraan deelnemen, schenkt immense vreugde en geluk. Velen ontvangen thans heel veel geluk door deel te nemen aan het wereldomvattende werk dat Jezus heeft geboden. Wat is dat? „En dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen” (Matth. 24:14). Ja, het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1977 toont aan dat, in gehoorzaamheid aan dit gebod, 2.248.390 personen deze gewillige geest gedurende 1976 aan de dag gelegd hebben en er 359.258.019 uren aan hebben besteed om dit „goede nieuws” met anderen in 210 verschillende landen en op eilanden in de wereldzeeën te delen. Waarlijk een schitterende vervulling van de profetische woorden van David toen hij zei : „Uw volk zal zich gewillig aanbieden op de dag van uw strijdkracht”! — Ps. 110:3.
Deze geest van gewilligheid is altijd onder de aanbidders van Jehovah aangetroffen, van Abel af tot aan rechtvaardigheid minnende mensen in deze tijd toe. Jehovah heeft deze gewilligheid van de zijde van zijn volk bijzonder gezegend. Hoe dankbaar zijn wij dat hij ons in de gelegenheid heeft gesteld deze dankbaarheid tot ons eigen geluk tot uitdrukking te brengen! Zij die thans deze geest bezitten, kunnen Jezus’ eigen woorden begrijpen toen hij zei: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Hand. 20:35). Hebt u dit ondervonden? Ja, waar geluk spruit voort uit delen, uit een aandeel hebben en bereid zijn om te helpen. Als wij ons bewust zijn van onze gelegenheden om te geven en weten hoe wij dit moeten doen, kan dit in grote mate bijdragen tot ons eigen geluk.
Beschouw eens hoe Jehovah in het verleden met de natie Israël handelde. Zij kregen vele gelegenheden om een gewillige geest te tonen en als zij dit deden, werden zij zeer gezegend. Het verslag in Exodus 19:7, 8 spreekt over de tijd toen ’Mozes kwam en de oudere mannen van het volk riep en hun al deze woorden voorlegde, die Jehovah hem geboden had’. Hoe reageerden de Israëlieten? „Daarna antwoordde het gehele volk eenstemmig en zei: ’Alles wat Jehovah heeft gesproken, zijn wij BEREID te doen.’” (Zie ook Exodus 24:3 en 24:7.) Het verslag toont aan dat zij voorspoed genoten zolang zij deze gewillige geest aan de dag bleven leggen.
Er waren ook tijden dat er zich op andere manieren gelegenheden voordeden. Toen de Israëlieten in de wildernis vertoefden, moesten er voorraden voor de bouw van de tabernakel bijeengebracht worden. Zoals Mozes zei: „Zamelt uit uw midden een bijdrage voor Jehovah in. Iedereen met een GEWILLIG HART brenge haar als een bijdrage voor Jehovah, namelijk goud en zilver en koper en blauw draad” en andere dingen (Ex. 35:4-9, 20-29). De gewilligheid van de Israëlieten bleek niet alleen doordat zij voldoende voor de bouw verschaften, maar Exodus 36:6, 7 vertelt ons ook dat „Mozes [gebood] dat men een aankondiging door het kamp moest laten gaan, luidende: ’Mannen en vrouwen, vervaardigt geen materiaal meer voor de heilige bijdrage.’ Zo werd het volk ervan afgehouden het te brengen. En het materiaal bleek genoeg te zijn voor al het werk dat gedaan moest worden, ja, meer dan genoeg.” Wat moet het volk zich verheugd hebben!
In volkomen tegenstelling daarmee verkeren veel kerken en religieuze organisaties ten gevolge van gebrek aan gewilligheid van de zijde van hun leden thans in ernstige financiële moeilijkheden en hebben ze met nog andere problemen te kampen. Er worden allerlei praktijken toegepast om maar aan geld te komen. In de Verenigde Staten wordt gebruik gemaakt van door de kerk georganiseerde bingospelen, verlotingen, collecteschalen en geldenveloppen, en nu hebben ze ook „Las Vegas-avonden” ingevoerd, in navolging van het gokken dat in die stad wordt gedaan. In een in de stad New York verschijnende krant werden onlangs 407 pastoors in het aartsdiocees New York aangehaald die zich uitspraken over de kritieke financiële situatie in hun kerken. Zij verklaarden dat ze thans net „hun hoofd boven water” konden houden en dat ze zich „bezorgd maakten over morgen”. Het bericht vervolgde: „Wegens deze bezorgdheid vatten veel pastoors het plan op om, nu de zogenoemde Las Vegas-avonden op 1 februari 1977 voor liefdadige instellingen wettig zijn geworden, casino’s voor kansspelen op te richten en voor het publiek open te stellen. Zij mogen dan al niet van gokken houden, maar de inkomsten die het oplevert, hebben ze hard nodig.” Kunt u zich voorstellen dat Christus Jezus in zijn tijd zulke methoden in de tempel aanwendde? Het verslag toont duidelijk aan hoe hij over commercieel ingestelde mannen dacht die dergelijke dingen trachtten te doen. — Matth. 21:12, 13.
Zulke praktijken werden nimmer toegepast, ook niet bij de vroege christenen. Zij hadden de geest van gewilligheid. Volgens de vroege geschiedschrijvers is er geen bericht dat zij collecteschalen doorgaven, gokten of tienden hieven. Iemand die zich omstreeks 190 G.T. tot het christendom bekeerde, Tertullianus, schreef: „En ook als er een soort kas is, wordt die niet gevormd van het ’eregeld’, als werd de godsdienst verkwanseld. Een ieder geeft een bescheiden bijdrage op een bepaalden dag van de maand of wanneer hij wil en als hij het wil en als hij het kan. Niemand wordt gedwongen, maar men draagt vrijwillig bij” (Apologeticum, 39, 5; uitgegeven door Het Spectrum). Vroege christenen gaven van harte en het maakte hen gelukkig. Zij waren gewillig.
Wanneer iemand zich ten gevolge van druk, nieuwsgierige of afkeurende blikken gedwongen of verplicht voelt te geven, doet dit tekort aan zijn geluk en vreugde. Dan zijn er misschien ook enkele financieel rijke personen die graag uit hun overvloed geven, maar mogelijkerwijs om aanzien te verkrijgen. Hoewel zulke personen hun loon, ’de eer van mensen’, nu misschien ten volle hebben, verbeuren echter ook zij de zegen en het geluk waarover Jezus sprak (Matth. 6:1-4). Hoe goed kunnen wij de aanmoedigende woorden van de apostel Paulus begrijpen: „Laat een ieder doen zoals hij in zijn hart heeft besloten, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief. In alles wordt gij verrijkt voor elke soort van edelmoedigheid, die door bemiddeling van ons een dankbetuiging aan God teweegbrengt”! — 2 Kor. 9:7, 11.
Hoewel wij allen onze eigen persoonlijke verantwoordelijkheid hebben om in het Koninkrijkswerk te delen en op verschillende manieren bijdragen te geven, hebben velen het gemakkelijk en bevredigend gevonden hun vrijwillige bijdragen rechtstreeks aan het bijkantoor van de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania in hun land over te maken. Waarom? Wegens het gigantische wereldomspannende bijbelse opvoedkundige werk waarmee dit Genootschap verbonden is, waarbij het op plaatsen helpt waar wij dit niet kunnen. In Nederland maken Getuigen hun bijdragen aan het bijkantoor in Amsterdam, Voorburgstraat 250, over, in België aan het bijkantoor in Brussel (Kraainem), Potaardestraat 60, en in Suriname aan het bijkantoor in Paramaribo, Wicherstraat 8-10, Box 49. De adressen van andere bijkantoren staan achter in de meeste boeken en brochures van het Genootschap vermeld. Door deze methode hebben velen de vreugde gehad te weten dat zij een aandeel aan Jehovah’s werk hebben, aangezien alle schenkingen uitsluitend gebruikt worden om de verkondiging van Gods koninkrijk te steunen. Deze gelegenheid te benutten, kan ons veel geluk schenken. Waarom het gaat, is de gewilligheid, zoals de volgende voorbeelden aantonen.
Onlangs ontving het Wachttorengenootschap een brief, die gedeeltelijk luidde: „Geliefde broeders, Ingesloten gelieven jullie een bijdrage aan te treffen van mijn moeder, die zesentachtig jaar is. Zij vroeg mij haar persoonlijke waardering over te brengen voor de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt!, die zij regelmatig over de post ontvangt. . . . Zij gedijt geestelijk doordat zij, naast De Wachttoren, ook geregeld in de bijbel leest, waarvoor zij voortdurend Jehovah’s liefderijke goedheid zegent.” Een andere brief luidde: „Geliefde Bethelbroeders, Mijn naam is Marisa. Ik ben acht jaar. Ik woon in Iowa. Mijn opa stuurde me $2.00, dus zend ik u een dollar omdat ik de andere dollar voor het grote congres wil sparen. Ik stuur deze dollar zodat u meer Wachttorens kunt maken . . . Ik houd van de leuke plaatjes in De Wachttoren . . . Wanneer zal het paradijs komen?” Wat zal Jehovah de gewillige geest van zulke kinderen zegenen! Zo’n geest weerspiegelt ook de voortreffelijke opvoeding door de ouders, die de gewillige houding hebben aangekweekt van „Mag ik helpen?”
Ja, zulk een gewillige geest en liefdevolle ondersteuning heeft dit Genootschap in staat gesteld door Jehovah’s Getuigen als een instrument gebruikt te worden om een groot aantal functies te verrichten, die alle een zegen voor Zijn volk zijn geweest. Beschouw er eens enkele: Het is gebruikt om op plaatselijke, regionale, nationale en internationale schaal congressen te beleggen tot aanmoediging en geestelijke opbouw van allen die rechtvaardigheid liefhebben. Het biedt hulp door rijpe mannen als reizende opzieners uit te zenden om gemeenten te helpen in overeenstemming met Gods wil te functioneren. Het wordt gebruikt om de Wachttoren-Bijbelschool Gilead voor de opleiding van zendelingen, te laten functioneren en deze zendelingen vervolgens in alle delen van de wereld, zelfs op enkele plaatsen waar het „goede nieuws” nog nooit eerder is gepredikt, te onderhouden. Door financiële steun van het Genootschap kunnen „speciale pioniers” in geïsoleerde gebieden blijven om de bijbel te onderwijzen en nieuwe gemeenten te organiseren. Bovendien worden de werkers op de zevenennegentig bijkantoren over de gehele wereld, die allen deze geest van gewilligheid bezitten en ten toon spreiden, door middel van dit Genootschap ondersteund en verzorgd. Elk jaar worden er vele miljoenen dollars besteed om deze volle-tijdwerkers, die thans 22.700 in aantal zijn, te onderhouden.
Bedenk ook dat, naast deze rechtstreekse financiële hulp die deze duizenden speciale vertegenwoordigers ontvangen, door middel van het Wachttorengenootschap financiële hulp is verleend aan slachtoffers van natuurrampen, noodtoestanden, aardbevingen en orkanen. Daarnaast worden er kleding- en voedselzendingen naar de rampgebieden gezonden om het lijden te verlichten. En welk een schitterende gelegenheid wordt allen geboden, nu de in 1978 te houden internationale congressen van Jehovah’s Getuigen worden aangekondigd en voorbereid, om deze volle-tijddienaren in verschillende delen der aarde, te helpen één van deze congressen bij te wonen! Zulk een hulp zal mogelijk zijn door hetzij rechtstreeks aan het Genootschap, hetzij door middel van de plaatselijke Koninkrijkszaal, een vrijwillige bijdrage te geven met de aanduiding dat dit geld bestemd is voor het „Congresfonds 1978”.
Bovendien hebben wij allen, op plaatselijke schaal, uitmuntende gelegenheden tot geluk door deze gewillige geest ten toon te spreiden. Hoe staat het met de plaatselijke gemeente? Bestaan er behoeften met betrekking tot de Koninkrijkszaal — huur, bouw, onderhoud, verwarming, licht, water, enzovoort? Staan wij, wetend dat zulke zaken niet vanzelf in orde komen, klaar om ons steentje bij te dragen? Een gewillige geest zal alle problemen in deze aangelegenheden doen verdwijnen.
Terwijl dus de Koninkrijksprediking en het maken van discipelen zich uitbreiden en krachtig voortgang vinden, bevestigen wij dat Jehovah God werkelijk de Ondersteuner van zijn werk en volk is. Mogen wij, terwijl deze wereldomvattende expansie voortgaat, voortdurend naar gelegenheden blijven uitzien om onze gewilligheid te tonen, en mogen wij de ware vreugde ervaren die zulk een geest meebrengt. Als wij dit doen, zullen wij van hetzelfde gevoelen zijn als David toen hij zei: „Schenk mij toch weer de uitbundige vreugde van de redding door u, en moogt gij mij zelfs met een gewillige geest steunen.” — Ps. 51:12.