God in gebed naderen
JEHOVAH GOD zegt: „Kan Hij die het oor plant, niet horen?” (Ps. 94:9) Iedereen, klein of groot, die oprecht vanuit het hart tot hem bidt, kan het volste vertrouwen hebben dat God met belangstelling aandacht aan zijn verzoek zal schenken. De bijbel zegt ons: „Er is geen onderscheid tussen jood en Griek, want over allen is een en dezelfde Heer, die rijk is voor allen die hem aanroepen.” — Rom. 10:12.
Wij moeten God echter met de juiste houding naderen, met een houding waaruit groot respect spreekt en met een begrip van onze verhouding tot hem. Hij is de Koning van het universum, onze almachtige Schepper.
En net zoals iemand niet onaangekondigd bij een aardse koning zou binnenstormen, zonder inachtneming van het juiste decorum, zal iemand die door middel van het gebed oprecht Gods aandacht zoekt, in de juiste geest en op de juiste wijze tot hem naderen. Hierdoor komt Jehovah echter niet ver van ons af te staan als een koude, ver verwijderde God, want de apostel Paulus zei tot een groep mannen en vrouwen in Athene dat God er regelingen voor heeft getroffen dat mensen hem zouden zoeken en dat „hij eigenlijk niet ver is van een ieder van ons. Want door hem hebben wij het leven en bewegen wij ons en zijn wij . . . ’Want wij zijn ook zijn nageslacht’”. — Hand. 17:26-28.
God heeft ons goedgunstig ingelicht over de wijze waarop wij beslist een horend oor zullen vinden. Hij heeft het heel duidelijk gemaakt dat men hem „in de naam van onze Heer Jezus Christus” moet naderen (Ef. 5:20). Jezus heeft herhaaldelijk aan de apostelen duidelijk gemaakt dat hun verzoeken na zijn opstanding in zijn naam kenbaar gemaakt moesten worden en dat alles wat zij in harmonie met Gods regeling zouden vragen, hun geschonken zou worden (Joh. 14:13, 14; 15:16). Hij toonde aan dat de toegewijde dienstknechten van God iets niet in Christus’ naam moesten vragen omdat God onwilliger zou zijn een antwoord te geven dan Jezus. Neen, Jezus zei: „Op die dag zult gij in mijn naam vragen, en ik zeg u niet dat ik de Vader een verzoek betreffende u zal doen. Want de Vader zelf heeft genegenheid voor u, omdat gij genegenheid voor mij hebt gehad en hebt geloofd dat ik als de vertegenwoordiger van de Vader ben uitgegaan” (Joh. 16:26, 27). Jehovah is even bereid zegeningen te schenken als wij deze altijd graag willen ontvangen.
Waarom is het dan noodzakelijk om door bemiddeling van Jezus Christus tot God te naderen? Omdat wij niet op grond van onze eigen verdienste in de positie verkeren tot God te naderen, aangezien wij als zondaars geen deel uitmaken van zijn reine gezin (Rom. 3:21-23). Jezus’ slachtoffer verschafte een verzoenende bedekking voor ’s mensen zonden en een basis op grond waarvan hij een Hogepriester van God ten behoeve van de mens kon worden. De geïnspireerde schrijver zei over deze belangrijke positie van Jezus Christus: „Wij hebben als hogepriester niet iemand die geen medegevoel kan hebben met onze zwakheden, maar iemand die in alle opzichten evenals wij beproefd is, maar zonder zonde. Laten wij daarom met vrijmoedigheid van spreken [Gods] troon van onverdiende goedheid naderen, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en onverdiende goedheid mogen vinden tot hulp op de juiste tijd.” — Hebr. 4:15, 16.
Op zijn minst aan het eind van onze gebeden dienen wij Jezus als degene te erkennen door bemiddeling van wie wij tot God kunnen naderen. De apostel Paulus schreef: „Ongeacht hoe vele Gods beloften zijn, ze zijn Ja [dat wil zeggen, zeker, bevestigd] geworden door tussenkomst van hem. Daarom wordt ook door bemiddeling van hem het Amen gezegd tot God ter heerlijkheid door bemiddeling van ons” (2 Kor. 1:20). „Amen” aan het eind van een gebed in de naam van Christus betekent „het zij zo”, een bevestigende verklaring, namelijk dat al Gods beloften door bemiddeling van Christus zijn vervuld en vervuld zullen worden. Door „Amen” te zeggen, verheerlijken christenen God. Wanneer iemand bidt, kunnen anderen die het gebed horen en ermee instemmen, eveneens „Amen” zeggen, hetzij in stilte, in hun hart, of hoorbaar, als zij zich hiertoe gedrongen voelen.
De apostel Paulus moedigt christenen ertoe aan hun geloofsstrijd te blijven voeren ’terwijl zij met elke vorm van gebed bij elke gelegenheid in geest blijven bidden’ (Ef. 6:18). Elk gebed, dat hetzij hoorbaar of in stilte wordt opgezonden, heeft een doel. Er zijn verschillende vormen van gebed, zoals bijvoorbeeld „voorbeden”, waarin een christen ten behoeve van anderen bidt, „dankzeggingen”, gebeden waarin Gods zegen wordt gevraagd en „smekingen” met betrekking tot bepaalde behoeften of problemen (1 Tim. 2:1; Fil. 4:6). Er doen zich ook veel gelegenheden voor om te bidden. Er kunnen bepaalde omstandigheden rijzen waarin wij God moeten aanroepen, of er kunnen geregelde tijden of gelegenheden zijn, zoals christelijke vergaderingen (Jak. 5:13-16; Hand. 6:5, 6). De gebeden dienen passend te zijn voor de gelegenheid.
Het is derhalve goed om in gebeden zo specifiek mogelijk te zijn. Het gebed dient bij elke gelegenheid een bepaald doel te hebben en dient dus niet verward en onsamenhangend te zijn. Zo zal het gewoonlijk niet passend zijn om vóór een maaltijd een lang gebed uit te spreken waarin kwesties worden aangeroerd die in het geheel niets met de gelegenheid te maken hebben. Een kort gebed zal hier het beoogde doel dienen. Maar aan het begin of het eind van de dag zouden wij in ons gebed dingen ter sprake kunnen brengen die dagelijks in ons leven kunnen rijzen, en daarbij ook de gemeenschap van broeders over de gehele wereld in gedachten hebben. In zo’n gebed kunnen dus veel meer onderwerpen ter sprake komen. Natuurlijk zijn er ook tijden waarin „wij [niet] weten . . . waarvoor te bidden naar het nodig is, maar de geest zelf pleit voor ons met onuitgesproken verzuchtingen” (Rom. 8:26). God aanvaardt ons oprechte gebed in deze omstandigheden en verhoort het door te geven wat wij nodig hebben, alsof wij nu juist om dat antwoord verzocht hadden.
Toen Jezus zijn discipelen onderwees hoe zij moesten bidden, gaf hij in hoofdlijnen aan waar zij om konden bidden en wat de volgorde van belangrijkheid van deze punten was (Matth. 6:9-13). Hij raadde ook aan nutteloze herhalingen in het gebed te vermijden. Wanneer wij een gesprek met iemand voeren, zouden wij het dwaas vinden steeds weer opnieuw hetzelfde te zeggen. Hoeveel te meer is dit het geval wanneer wij tot God spreken, die ’weet welke dingen wij nodig hebben voordat wij hem er ook maar om vragen’ (Matth. 6:8). En net als wij in een gesprek met een vriend niet in bijna elke zin zijn naam gebruiken, zullen wij Jehovah’s naam niet steeds weer opnieuw in een gebed herhalen.
De bijbelse voorbeelden in verband met gebeden onthullen ons dat er geen voorgeschreven houding of vereiste positie van de handen in acht genomen moet worden. Jezus „viel . . . op zijn aangezicht” toen hij in de hof van Gethsémane bad (Matth. 26:39). Bij sommige gelegenheden „sloeg [hij] zijn ogen ten hemel” (Joh. 11:41; Luk. 18:13). Hij sprak over gebeden die staande werden uitgesproken (Mark. 11:25). De apostel Paulus „knielde” met de ouderlingen van Éfeze „neer”. — Hand. 20:36.
Wanneer iemand op een vergadering een groep in gebed voorgaat, moet iedereen vanzelfsprekend een respectvolle houding aannemen, hoewel geen enkele specifieke houding het gebed heiliger maakt. Wij moeten ook rekening houden met het feit dat ongelovigen op een openbare vergadering er ondanks het feit dat zij vriendelijk zijn, misschien niet voor voelen hun hoofd te zamen met de gehele gemeente te buigen. Het is daarom voldoende eenvoudig te zeggen dat ’wij Jehovah nu in gebed zullen naderen’ of iets in die trant.
Een gebed dat in de naam van Jezus Christus tot Jehovah God wordt opgezonden, heeft veel kracht. Een dankgebed dat vóór de maaltijd wordt uitgesproken, behaagt God en beweegt hem ertoe de eters in het gebruik van de verworven kracht te zegenen. De apostel schreef: „Elke schepping van God [is] voortreffelijk . . ., en niets dient verworpen te worden indien het met dankzegging wordt aanvaard, want het wordt geheiligd door middel van Gods woord [dat alle dingen goedkeurt die God voor voedsel heeft geschapen] en gebed erover” (1 Tim. 4:4, 5). Iemand die God niet voor zijn voedsel dankt, geeft niet van waardering blijk en kan niet de volledige zegen van God verwachten. Wij willen niet als dieren zijn, die zich niet bewust zijn van de werkelijke Bron en Verschaffer van alle goede dingen.
Jezus’ halfbroer Jakobus zegt over de doeltreffendheid van het gebed: „De smeking van een rechtvaardige heeft, als ze in werking is, veel kracht. Elia was een mens met dezelfde gevoelens als wij, en toch bad hij er in gebed om dat het niet zou regenen, en drie jaar en zes maanden lang regende het niet op het land. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen en het land bracht zijn vrucht voort.” — Jak. 5:16-18.
Het werpt dus veel resultaten af tot God te bidden. Beschouwt u bijvoorbeeld eens welk een weergaloze zegen de Romeinse legeroverste Cornelius als gevolg van zijn gebed ontving (Handelingen hfdst. 10). Wij dienen derhalve in volledig geloof en vertrouwen te bidden, want Jehovah, die elk van de biljoenen sterren bij name kent, kan de gebeden van al zijn honderdduizenden aanbidders horen ten einde aan elk van deze gebeden aandacht te schenken. — Ps. 147:4.