Vragen van lezers
● Hoeveel voedsel bleef er over nadat Jezus op wonderbare wijze duizenden had gevoed?
Jezus heeft bij twee gelegenheden duizenden personen op wonderbare wijze gevoed. Eens verschafte hij met slechts vijf broden en twee vissen voldoende voedsel voor vijfduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet meegerekend. Maar nadat allen tot verzadiging hadden gegeten, werden twaalf manden gevuld met wat over was (Matth. 14:19-21). De oorspronkelijke Griekse uitdrukking voor „mand” die in dit verslag voorkomt, wordt ook van toepassing gebracht op de Beotische maat van ongeveer zeven en een halve liter. De twaalf manden met resten kunnen dus een gezamenlijke inhoud van ongeveer 90 liter hebben gehad. Toen Jezus later een menigte van meer dan vierduizend mensen voedde met zeven broden en een paar vissen, bleven er zeven „proviandmanden” vol over (Matth. 15:34-37). Deze soort van mand was groter en was soms groot genoeg om een man te kunnen bevatten. — Hand. 9:25.
● Wat hield het kweken van de „vijgen van de sycomoorbomen” in, waarvan Amos zich een „plukker” noemde?
Toen de afgodische priester Amazia hem zei dat hij niet te Bethel mocht profeteren, antwoordde Amos: „Ik was geen profeet, noch was ik de zoon van een profeet; maar ik was een veehoeder en een plukker van vijgen van sycomoorbomen” (Amos 7:12-14). Deze sycomoorsoort is klaarblijkelijk de Ficus sycomorus, een wilde vijgeboom waarvan de onrijpe vruchten door mensen in het Midden-Oosten met een spijker of een ander scherp voorwerp worden opengekrast. Als dit niet gebeurt, scheidt de vrucht een waterig vocht af en wordt ze niet rijp. Volgens de gedachte van de grondtekst is het mogelijk dat ook Amos de vruchten van de wilde vijgeboom deze bewerking heeft gegeven door ze open te krassen of een inkeping te geven. Vandaar dat hij in sommige vertalingen een moerbei-„kweker” of „insnijder” wordt genoemd. (Zie ook Septuagintavertaling en Vulgaat.)