Het geven dat werkelijk telt
WIE waardeert het niet een geschenk te krijgen van iemand die geen bijbedoelingen heeft? Onzelfzuchtig geven spreekt tot het hart. Maar wat valt er te zeggen over het geven van geschenken tijdens de kerstviering? Gebeurt dat zonder onzelfzuchtige motieven? En wat nog belangrijker is, beantwoordt het aan de nobele vereisten die de bijbel stelt aan degenen die geschenken geven? Telt het werkelijk bij God?
Veel mensen nemen als vanzelfsprekend aan dat het geven van kerstgeschenken in overeenstemming is met de bijbel. Dit komt omdat zij geloven dat Kerstmis een „heilige dag” is waardoor Christus wordt geëerd en dat drie „wijzen” geschenken voor het kindje Jezus kochten. Maar is dit zo? Wat is eigenlijk de oorsprong van Kerstmis?
In een redactioneel artikel in de decemberuitgave van 1974 van MD, een medisch tijdschrift, werd verklaard: „Deze feestelijke gelegenheid, die in sommige landen nog steeds als een heilige dag en niet als louter een vrije dag wordt beschouwd, is een samensmelting van religieuze en wereldlijke gebruiken, waarvan de meeste ontleend zijn aan heidense en mythische bronnen. . . .
Oorspronkelijk was 25 december een zonnefeest, dat werd beheerst door de vrees van de mens — wiens leven afhing van het licht en de warmte van de zon — dat de goudomgeven god niet van zijn jaarlijkse reis aan de hemel zou terugkeren. . . . In de ijzige noordelijke landen was de winterzonnewende het moment voor het ontsteken van grote vuren om de winterzon kracht te verlenen en weer tot leven te brengen. Het begrip van de winterzonnewende — de terugkeer van het licht — werd ten slotte gekristalliseerd in het symbool van de geboorte van Christus, het Licht der mensheid. In de vierde eeuw kozen de kerkvaders de winterzonnewende als de beste datum voor het vieren van Christus’ geboorte en verbonden deze aldus symbolisch met een datum die voor de heidenen enorm belangrijk was.” — Blz. 13.
Aangezien de kerstviering van oude niet-christelijke oorsprong is, kunnen wij redelijkerwijs niet verwachten dat de kenmerken ervan in overeenstemming zijn met Gods Woord. Maar zou het geven van geschenken hierop geen uitzondering kunnen maken?
Er zijn mensen die denken dat de geschenken die de „wijzen uit het Oosten” het jonge kind Jezus brachten, de basis voor het geven van kerstgeschenken vormen (Matth. 2:1, Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap). Het bijbelbericht luidt: „Toen zij het huis waren binnengegaan, zagen zij het jonge kind met zijn moeder Maria, en neervallende, brachten zij het hulde. Ook openden zij hun schatten en boden het geschenken aan: goud en geurige hars en mirre” (Matth. 2:11). Deze „wijzen”, in werkelijkheid een niet nader aangeduid aantal astrologen, deden echter alleen maar wat toen de gewoonte was als men iemand van aanzien bezocht — in dit geval „degene die als koning der joden geboren is” (Matth. 2:2). Met betrekking tot de oorsprong van het geven van kerstgeschenken zegt The Encyclopedia Americana (uitgave van 1959, deel VI, blz. 622) dat „de uitgebreide festiviteiten, het geven van geschenken en het branden van kaarsen ontleend waren” aan het Romeinse feest ter ere van de god Saturnus.
Zou het, gezien de aloude heidense achtergrond van het geven van kerstgeschenken, Gods goedkeuring hebben als iemand eraan meedeed? Hoe zou dat het geval kunnen zijn als zijn Woord het vermengen van de ware aanbidding met de duisternis van afgoderij veroordeelt? Wij lezen: „Wat heeft licht met duisternis gemeen? Welke overeenstemming bestaat er voorts tussen Christus en Belial [Satan]? Of welk deel heeft een gelovige met een ongelovige? . . . ’Gaat daarom uit hun midden vandaan en scheidt u af’, zegt Jehovah, ’en raakt het onreine niet langer aan.’” — 2 Kor. 6:14-17.
Ook in andere opzichten beantwoordt Kerstmis niet aan wat de Schrift personen aanraadt die geschenken geven. Vaak is dit geven met Kerstmis alleen maar een uitwisseling van geschenken. Slechts weinig mensen bieden geschenken aan zonder de bedoeling iets terug te krijgen. Zij geven niet wegens de pure vreugde van het geven en met het doel het geluk van iemand anders te vergroten. Hun daden bewijzen dat zij de woorden van Jezus Christus, degene die zij beweren te eren, niet begrijpen. Jezus zei: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.” — Hand. 20:35.
In plaats dat Kerstmis een feest is dat mensen als gevolg van hun aandeel aan het onzelfzuchtig geven van geschenken opmontert, heeft het vaak precies de tegenovergestelde uitwerking. Datgene wat men heeft gegeven en gekregen, kan wel eens leiden tot getob, teleurstelling en misnoegen. „Zelfs voor een ’normaal’ persoon”, zo schrijft dokter Felix Marti-Ibañez, „is Kerstmis een periode waarin veel conflicten zich verscherpen: angst voor eenzaamheid en voor financiële, sociale en emotionele onzekerheid — in feite, angst voor het leven.” — MD van december 1974, blz. 14.
Doordat veel mensen zich gedwongen voelen geschenken te geven, scheppen zij er geen vreugde in. Zij geven alleen uit plichtsgevoel. Ook dit is in strijd met bijbelse beginselen. De Schrift zegt ons: „Laat een ieder doen zoals hij in zijn hart heeft besloten, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.” — 2 Kor. 9:7.
Het geven dat bij God telt, dient ook zonder enig opzichtig vertoon te zijn. De gever dient niet de aandacht op zichzelf te vestigen. Christus zei met klem: „Als gij . . . gaven van barmhartigheid schenkt, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet” (Matth. 6:3, 4). Hebt u niet bemerkt dat dit beginsel in de kersttijd vaak genegeerd wordt?
Er kunnen natuurlijk personen zijn die uit een juiste beweegreden geven, doch maar al te veel mensen geven alleen maar omdat zij zich ertoe verplicht voelen. Het is niet het onzelfzuchtige, edelmoedige geven dat de bijbel aanbeveelt. Bovendien wordt door het geven van kerstgeschenken, ongeacht wat de beweegreden ook mag zijn, een gebruik voortgezet dat geworteld is in aloude afgoderij. Dit is iets dat in de Schrift specifiek wordt veroordeeld. Hoe zou het geven van kerstgeschenken dan ooit bij God kunnen tellen?
Indien u wilt dat uw geven van Gods standpunt uit bezien aanvaardbaar is, komt u dan niet tegenover een beslissing te staan? Zou u niet elk gebruik overboord willen gooien dat verband houdt met afgoderij? En zou u er terzelfder tijd geen ware vreugde in scheppen op andere tijden van het jaar te geven, niet onder dwang, maar blijmoedig, uit het hart?