Vragen van lezers
● Is de beschrijving van de „wijsheid” in Spreuken 8:22-31 werkelijk op Jezus, de Zoon van God, van toepassing?
Personen die slechts de Hebreeuwse Geschriften aanvaarden of die niet in Jezus Christus geloven, verklaren vaak dat Spreuken 8:22-31 slechts op een of andere figuurlijke wijze een personificatie van de wijsheid geeft. Een dergelijke toepassing van deze verzen stemt evenwel niet overeen met hetgeen er over God bekend is. Aanvaardt een persoon bovendien de deugdelijke zienswijze dat de gehele bijbel, met inbegrip van Spreuken, geïnspireerd is, dan kan hij zien dat de beschrijving van de „wijsheid” hier in Spreuken, precies klopt met hetgeen er elders in de bijbel over de Zoon van God wordt gezegd. Wij lezen:
„Jehovah zelf heeft mij voortgebracht als het begin van zijn weg, als het vroegste van zijn werken van lang geleden. . . . Voordat de bérgen waren neergelaten, vóór de heuvels, werd ik als met barensweeën voortgebracht . . . Toen hij de hemelen bereidde, was ik daar; . . . toen kwam ik als een meesterwerker naast hem te staan, en ik werd degene op wie hij dag aan dag bijzonder gesteld was, terwijl ik te allen tijde vrolijk was voor zijn aangezicht, . . . en de dingen waarop ik ten zeerste gesteld was, waren bij de zonen der mensen.” — Spr. 8:22-31.
Joodse commentators, die tegen iedere toepassing van deze passage op Jezus als de Messías bezwaar maken, zijn gewoonlijk van oordeel dat dit louter een litteraire personificatie van de wijsheid is. Zo zegt W. Gunther Plaut, in zijn werk Book of Proverbs — A Commentary, dat deze verzen „slechts in figuurlijke zin een personificatie” van de wijsheid geven. Deze passage kan evenwel niet louter over goddelijke wijsheid of wijsheid in abstracte zin spreken. Waarom niet? Omdat de „wijsheid” die hier beschreven wordt, ’geschapen’ of „voortgebracht” (Hebreeuws, qanáh)a werd als het begin van Jehovah’s weg. De Schrift toont aan dat Jehovah God zelf altijd heeft bestaan (Ps. 90:2; 1 Tim. 1:17). Aangezien hij eeuwig is en altijd wijs is geweest, betekent dit dat zijn wijsheid altijd heeft bestaan; deze werd nooit geschapen of voortgebracht; ze werd niet „als met barensweeën voortgebracht” (Job 9:2, 4; 12:9, 13; 28:20, 23; Rom. 11:33-36). Wijsheid kan niet los van een persoonlijkheid bestaan die in staat is haar te bezitten en te weerspiegelen. De „wijsheid” waarover hier gesproken wordt, moet derhalve een personificatie zijn van iemand die „als het begin van [Gods] weg” geschapen werd.
De christelijke Griekse Geschriften helpen iemand begrijpen op wie deze passage klaarblijkelijk doelt. Ze getuigen herhaaldelijk van het feit dat de Messías als de Zoon van God bij Jehovah in de hemel een voormenselijk bestaan had (Joh. 17:5; 6:62). In dat voormenselijke bestaan werkte hij met Jehovah samen bij de schepping van alle andere dingen. Johannes 1:3 zegt over hem. „Alle dingen zijn door bemiddeling van hem ontstaan, en afgescheiden van hem is zelfs niet één ding ontstaan.” — Vergelijk Kolossenzen 1:15, 16.
Het is begrijpelijk dat de Zoon van God als geschapen „wijsheid” voorgesteld kon worden. Via hem werd Jehovah’s wijze voornemen, met inbegrip van de rol van de Messías op wie de joden reeds lang gewacht hadden, openbaar gemaakt. De apostel Paulus zei over Jezus: „Zorgvuldig verborgen in hem zijn alle schatten van wijsheid en van kennis” (Kol. 2:3). Hoewel koning Salomo vermaard was wegens zijn door God geschonken wijsheid, was Jezus „méér dan Salomo” (1 Kon. 4:30-34; Matth. 12:42). Degenen die Jezus Christus aanvaardden en geloof in hem stelden, beseften dat hij „de kracht Gods en de wijsheid Gods” was. — 1 Kor. 1:24, 30.
Bijgevolg wordt het ons zowel door datgene wat wij over onze eeuwig wijze God weten als door de inlichtingen over Jezus in de christelijke Griekse Geschriften duidelijk hoe passend het is Spreuken 8:22-31 op de Zoon van God, die de Messías werd, van toepassing te brengen. Die passage komt op opmerkelijke wijze overeen met de oorsprong en activiteiten van degene wiens diepe liefde voor de mensheid zelfs tot zijn dood als loskoopoffer leidde. — 1 Tim. 2:5, 6; Joh. 3:16.
[Voetnoten]
a In het verleden betoogden commentators en vertalers die aan de drieëenheidsleer vasthielden dat qanáh hier met „bezeten” diende te worden weergegeven. Qanáh kan de betekenis hebben van hetzij „verwerven (bezitten)” of „voortbrengen” (Gen. 4:1; Deut. 32:6; Ps. 139:13; Neh. 5:16). Maar geleerden erkennen dat de context hier op de vertolking „voortgebracht” of „geschapen” wijst, aangezien 8 de verzen 24 en 25 over de wijsheid spreken als was ze „als met barensweeën voortgebracht”. Deze vertaling wordt gesteund door de Griekse Septuaginta, de Syrische Pesjitta-vertaling en de Targoems. Bijgevolg gebruiken nu zelfs vertalingen van de hand van trinitariërs, zoals de katholieke Willibrordvertaling en de Jerusalem Bible, de vertolking „voortgebracht” of „ geschapen”.