Waarom gastvrij zijn?
„GEEN vreemdeling vernachtte buiten, mijn deuren deed ik open voor den reiziger” (Job 31:32, Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap). Deze soort van gastvrijheid die door de getrouwe Job ten toon werd gespreid, was een identificerend kenmerk van Gods toegewijde dienstknechten in de oudheid.
Door gastvrijheid te verlenen, reageerde men liefdevol op de behoefte van een vreemdeling aan verkwikking en onderdak. Vele eeuwen geleden gingen reizigers die een dorp of stad aandeden gewoonlijk naar het openbare plein. Hierdoor werden de inwoners in de gelegenheid gesteld de vreemdeling uit te nodigen bij hen te overnachten.
Dit wordt geïllustreerd door het bijbelse verslag over een leviet in de periode van de rechters in Israël. Nadat hij, zijn bediende en zijn bijvrouw vanuit Bethlehem waren vertrokken, sloegen zij af naar Gibea in Benjamin om daar te overnachten. Wij lezen: „Zij nu gingen er binnen en zetten zich neer op het openbare stadsplein, en er was niemand die hen voor de nacht in huis opnam.” — Recht. 19:1, 2, 14, 15.
Zulk een ongastvrije houding was zeer ongewoon voor een Israëlitische stad. De leviet had met opzet een niet-Israëlitische stad vermeden omdat hij meende door de Israëlieten beter behandeld te zullen worden (Recht. 19:11, 12). Ten slotte verleende een oude man die niet tot de stam Benjamin behoorde, hem echter gastvrijheid met de woorden: „Vrede zij u! Laat enig gebrek uwerzijds maar op mij neerkomen. Overnacht alleen niet op het openbare plein.” — Recht. 19:16-20.
De onwilligheid van de inwoners van Gibea om jegens vreemdelingen gastvrijheid ten toon te spreiden, duidde op een ernstige morele zwakte. Zij hielden zich zelfzuchtig met hun eigen zaken bezig en weigerden de gelegenheid aan te grijpen om vriendelijkheid ten toon te spreiden.
De diepte van hun zelfzucht kwam zelfs nog duidelijker aan het licht nadat de oude man de reizigers in zijn huis had opgenomen. Een groep mannen omringde het huis en eiste dat de leviet voor immorele doeleinden aan hen zou worden overgeleverd. De oude man willigde hun eisen echter niet in. Niettemin ontwikkelden de omstandigheden zich dermate dat de bijvrouw van de leviet aan hen werd overgeleverd. Zij misbruikten haar de gehele nacht op zulk een wijze dat zij stierf. — Recht. 19:22-28.
Eeuwen daarvoor had een overeenkomstige ongastvrije geest de overhand in Sodom. Op zekere avond kwamen twee knappe vreemdelingen Sodom binnen. Toen Lot hen zag, nodigde hij hen uit in zijn huis te komen en spoorde hij hen ertoe aan de nacht niet op het openbare plein door te brengen. De vreemdelingen namen zijn aanbod aan, maar voordat zij zich ter ruste konden begeven, had een menigte Lots huis omringd, „van knaap tot grijsaard”. Zij riepen tot Lot dat hij zijn gasten voor immorele doeleinden aan hen moest overleveren, maar hij weigerde krachtig hieraan gehoor te geven (Gen. 19:1-11). Dit vormde een bewijs van Lots rechtvaardigheid, die ertoe bijdroeg dat hij aan de vernietiging ontkwam die Jehovah over Sodom en drie andere nabijgelegen steden bracht. — Deut. 29:23; 2 Petr. 2:6-9.
Zonder dit zelf te weten, had Lot engelen gastvrij in zijn huis ontvangen. Zijn gastvrijheid en nog andere, overeenkomstige voorbeelden van gastvrijheid worden in Hebreeën 13:2 als een aanmoediging voor christenen aangehaald. Wij lezen: „Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het zelf te weten, engelen gastvrij ontvangen.”
De geest van vriendelijkheid en edelmoedigheid die tot ware gastvrijheid aanzet, is beslist een waardevol bezit. Ontbreekt deze geest, dan kan dit, zoals in het geval van de inwoners van Gibea en Sodom werd geïllustreerd, tot uiterst zelfzuchtige daden aanleiding geven. Dit komt doordat ware liefde voor de naaste iemand ertoe aanzet de belangen van anderen te behartigen en hem ervan weerhoudt hun rechten te schenden. De apostel Paulus wees hierop toen hij zei: „Hij die zijn medemens liefheeft, heeft de wet vervuld. Want het wetsreglement: ’Gij moogt geen overspel plegen, Gij moogt niet moorden, Gij moogt niet stelen, Gij moogt niet begeren’, en welk ander gebod er ook is, wordt samengevat in dit woord, namelijk: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.’ De liefde berokkent de naaste geen kwaad.” — Rom. 13:8-10.
Alleen als wij de geest van liefde aankweken en behouden, welke tot oprechte uitingen van gastvrijheid aanzet, kunnen wij Gods goedkeuring verwerven. Dit komt doordat liefde voor God en de naaste het fundament vormt van de ware aanbidding. Jezus Christus zei: „Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt.” — Joh. 13:35.
Evenals in de oudheid doen zich thans onder Gods volk vele gelegenheden voor om het initiatief te nemen in het verlenen van gastvrijheid. Er zijn tijden waarin natuurrampen, vervolgingen, ziekte en dergelijke tot gevolg hebben dat medegelovigen in nood komen te verkeren. Wat is het dan voortreffelijk wanneer hun geestelijke broeders en zusters al het mogelijke doen om hen te helpen! Verder kunnen zich ook gelegenheden voordoen om gastvrijheid te verlenen aan bezoekende of reizende ouderlingen, waarbij men hen van maaltijden en/of van logies kan voorzien of hen anderszins in verband met onkosten kan helpen. Ook doen zich in de gemeente zelf vele gelegenheden voor om maaltijden, gezelschap en dergelijke met medegelovigen te delen. Zulk een uiting van gastvrijheid kan tot gevolg hebben dat men wederzijds wordt aangemoedigd en opgebouwd.
Wat dient u in gedachten te houden wanneer aan u gastvrijheid wordt verleend? Het getuigt van wijsheid wanneer men er zorgvuldig op toeziet dat men er niet van beschuldigd kan worden dat men misbruik maakt van de goedheid van anderen en een soort ’maatschappelijke parasiet’ wordt. De apostel Paulus en zijn medewerkers hebben in dit opzicht een voortreffelijk voorbeeld gegeven. De apostel herinnerde de ouderlingen van Éfeze aan het volgende: „Gij weet zelf dat deze handen voorzien hebben in mijn eigen behoeften en in die van hen die bij mij waren” (Hand. 20:34). Dit betekent niet dat Paulus en zijn metgezellen alle gastvrije aanbiedingen van de hand wezen. Dat zij oprechte gastvrijheid aanvaardden, blijkt uit wat er te Filippi gebeurde. In die stad aanvaardden Lydia en haar huisgezin het christendom. Daarna smeekte zij Paulus en zijn metgezellen: „Indien gijlieden van oordeel zijt dat ik getrouw ben aan Jehovah, komt dan in mijn huis en blijft er.” Zulk een openhartige gastvrijheid kon eenvoudig niet afgeslagen worden. De schrijver van Handelingen, de arts Lukas, voegt hieraan toe: „Zij dwong ons er gewoon toe.” — Hand. 16:14, 15.
Heeft een persoon de gastvrijheid van iemand anders eenmaal aanvaard, dan komt hij onder de verplichting zich als een dankbare gast te gedragen. Jezus Christus vestigde hier de aandacht op toen hij tot zijn discipelen zei: „Blijft . . . in dat huis en eet en drinkt de dingen waarin zij voorzien . . . Gaat niet van het ene huis over naar het andere” (Luk. 10:7). Door dit te zeggen, maakte Jezus duidelijk dat zijn discipelen niet ondankbaar het huis van iemand die gastvrijheid had verleend moesten verlaten om ergens anders heen te gaan waar de huisbewoner meer gerief en beter voedsel kon verschaffen. Wanneer wij het beginsel van Jezus’ vermaning toepassen, kunnen wij zien dat het onvriendelijk zou zijn een uitnodiging eenvoudig af te zeggen omdat ons later iets beters in stoffelijk opzicht werd aangeboden.
Met het oog op wat de bijbel zegt, dienen wij allen uit diepe liefde voor Jehovah en onze medemensen gastvrij te willen zijn. Ook al bezitten wij weinig, dan berooft dit ons niet van de mogelijkheid de geest van gastvrijheid ten toon te spreiden — een oprechte bezorgdheid voor het welzijn van anderen. En wanneer ons ware gastvrijheid wordt verleend, dienen wij deze vol waardering als een uiting van liefde te aanvaarden.