Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 15/9 blz. 572-574
  • „Bereid . . . tot elk goed werk”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Bereid . . . tot elk goed werk”
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Vergelijkbare artikelen
  • Edelmoedigheid kweekt edelmoedigheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • De motiverende kracht van Christus’ edelmoedigheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • Edelmoedigheid is lonend
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Edelmoedigheid inspireert tot edelmoedigheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 15/9 blz. 572-574

„Bereid . . . tot elk goed werk”

DE GEÏNSPIREERDE Schrift moedigt christenen ertoe aan „bereid te zijn tot elk goed werk” (Tit. 3:1). Wat vereist dit van Gods toegewijde dienstknechten? Het vereist van hen dat zij zonder aarzelen aandacht schenken aan de behoeften van anderen. Als wij in staat zijn iets positiefs te doen op het gebied van het verlenen van hulp, zullen wij dit beslist niet tot een later tijdstip mogen uitstellen of het aan iemand anders mogen overlaten dit te doen. Wij dienen zelfs veeleer bereid te zijn onszelf bepaalde dingen te ontzeggen, indien dat noodzakelijk mocht zijn, om personen die dit verdienen, te helpen.

Er zijn vele activiteiten die als „goed werk” beschreven kunnen worden, als werk dat nuttig is voor onze medemensen en aangenaam in de ogen van onze God. Zo is er bijvoorbeeld het werk dat erin bestaat medegelovigen door woord en voorbeeld aan te moedigen. Vooral op christelijke vergaderingen doet zich een schitterende gelegenheid voor dit te doen. De apostel Paulus spoorde christenen ertoe aan: „Laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, het onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, maar elkaar aanmoedigend, en dat te meer naarmate gij de dag ziet naderen” (Hebr. 10:24, 25). Ja, het is een „goed werk” geregeld op de vergaderingen van de christelijke gemeente aanwezig te zijn ten einde onze broeders op te beuren, aan te moedigen en op te bouwen. Wat kunnen wij, ook al voelen wij ons lichamelijk niet al te best, een bron van inspiratie vormen voor anderen die zien hoe onze zwakheid door de hulp van Jehovah’s geest in kracht verandert!

Op zulke bijeenkomsten kunnen personen aanwezig zijn die neerslachtig, ontmoedigd, bedrukt of verdrietig zijn. Doordat u aanwezig bent, verkeert u in de positie hen te helpen. Door de bezorgdheid die u voor hun welzijn ten toon spreidt en de hartelijkheid waarmee u met hen spreekt, kunnen zij ertoe gebracht worden over betere dingen na te denken. En ook dient er niet licht gedacht te worden over de aanmoediging die zij kunnen putten uit de antwoorden die u geeft op vragen die vanaf het podium gesteld worden.

In werkelijkheid wordt u door de geest van Jehovah in staat gesteld medegelovigen „tot liefde en voortreffelijke werken” aan te sporen. Deze geest die op Jezus Christus rustte, maakte het voor hem mogelijk „alle treurenden te troosten; . . . om hun te geven een hoofdtooisel in plaats van as, de olie van uitbundige vreugde in plaats van rouw, de mantel van lof in plaats van de neerslachtige geest” (Jes. 61:2, 3; Luk. 4:17-21). Schenkt u, in navolging van Jezus Christus en met de hulp van Gods geest, ook degenen die nog niet verwant aan u zijn in het geloof, zulk een troost?

Door aan het belangrijke werk deel te nemen dat erin bestaat het „goede nieuws” van Gods koninkrijk bekend te maken, kunnen wij veel mensen werkelijk troost schenken. Wij moeten ons er derhalve van vergewissen dat wij er tijd voor opzij zetten om naar de huizen van de mensen in onze omgeving te gaan ten einde hun belangstelling op te wekken voor de boodschap die God voor mensen in dit geslacht heeft.

Hoe versterkt het onszelf wanneer wij volharding opbouwen in dit werk! Aangezien dit werk in de Schrift wordt beschreven als het zoeken naar verloren „schapen”, kunnen wij niet verwachten in elke straat of in elke stad of elk dorp een oprecht, met een schaap te vergelijken persoon aan te treffen. (Vergelijk Matthéüs 10:6, 14.) Wij moeten dus niet ontmoedigd worden wanneer wij mensen aantreffen die geen belangstelling tonen. Wij zullen veeleer het verlangen hebben om ondanks gebrek aan belangstelling, ja ondanks van onwetendheid getuigende en lasterlijke tegenspraak, te volharden. — Rom. 5:3-5.

Wij zullen ook een goed gebruik willen maken van de gelegenheden die wij in onze dagelijkse contacten met mensen hebben om hen op de hoogte te stellen van de vertroostende beloften die in de bijbel staan opgetekend. Wij zullen misschien mensen ontmoeten als wij op vervoer wachten of op reis zijn, of misschien zijn wij in de gelegenheid om kort met vreemden te praten. Getuigt het niet van ’bereidheid’ tot het verrichten van „goed werk” als wij hun aandacht vestigen op wat de bijbel over de huidige wereldtoestanden en de vervulling van de profetieën heeft te zeggen? Aangezien zulke gelegenheden zich vaak voordoen, zouden wij er een gewoonte van kunnen maken altijd een bijbels studiehulpmiddel — een boekje, brochure of een tijdschrift — bij de hand te hebben, dat aangeboden zou kunnen worden aan personen die van enige belangstelling voor de Koninkrijksboodschap blijk geven.

In de Wet die de Israëlieten door bemiddeling van Mozes ontvingen, werd hun geboden bezorgd te zijn voor degenen die tot armoede vervielen (Deut. 15:7, 8, 11). Christelijke aanbidders van Jehovah in deze tijd dienen ernaar te streven nog bereidwilliger van geest en aard te zijn om de behoeften van hun armere broeders en zusters te onderscheiden en hierin zoveel mogelijk te voorzien. Zo komen degenen die ondanks moeilijkheden een ijver voor het Koninkrijkswerk en een diepe toewijding jegens Jehovah God ten toon spreiden, voor hun hulp en edelmoedigheid in aanmerking. Wij doen er goed aan de edelmoedigheid van de man Cornelius na te volgen. Ja, zelfs vóór zijn doop stond hij bekend als een „godvruchtig” man die „vele gaven van barmhartigheid aan het volk” schonk en „voortdurend smekingen tot God [opzond]”. In een visioen zei een engel tot hem: „Uw gebeden en gaven van barmhartigheid zijn opgestegen als een gedachtenis voor het aangezicht van God.” — Hand. 10:2-4.

In onze tijd zijn er, evenals in de tijd van de apostelen, reizende vertegenwoordigers van de wereldomvattende christelijke gemeente die van plaats tot plaats gaan om de waardering van de broeders op te bouwen voor het grootse voorrecht Jehovah te dienen en die hun nuttige suggesties aan de hand doen en ervaringen vertellen die met deze dienst verband houden. Deze reizende broeders verdienen onze van ganser harte geschonken en edelmoedige ondersteuning, zoals de apostel Paulus in zijn brief aan Titus (3:13, 14) aanraadde: „Voorzie Zénas, die goed onderlegd is in de Wet, en Apóllos zorgvuldig van het nodige voor hun reis, opdat het hun aan niets ontbreekt. Maar laten ook de onzen leren voortreffelijke werken te blijven doen ten einde in hun dringende behoeften te voorzien, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.”

Het spreekt vanzelf dat wij ons misschien niet altijd van de fysieke en geestelijke behoeften van onze medeaanbidders bewust zijn, vooral niet van degenen die in verre landen wonen. Maar zelfs wanneer dat het geval is, kunnen wij ten behoeve van hen „goed werk” verrichten. Wat wij niet persoonlijk kunnen doen om degenen te bereiken die hulp nodig hebben, kan gedaan worden door middel van het wettelijke werktuig dat door Jehovah’s christelijke getuigen wordt gebruikt, de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. Bijdragen die aan de plaatselijke bijkantoren van dat Genootschap worden overgemaakt, worden gebruikt om de geestelijke belangen over de gehele aarde te bevorderen. Wegens de edelmoedigheid en bereidwilligheid van geest van de zijde van een grote schare broeders en zusters, beschikt het Genootschap ook over fondsen voor het treffen van onmiddellijke hulpmaatregelen ten behoeve van degenen die door een grote ramp worden getroffen of onder vervolging hebben te lijden.

Door „bereid te zijn tot elk goed werk”, bewijzen wij dat wij onze hoop op God stellen. Wij kunnen er derhalve zeker van zijn dat wij zowel thans als in de toekomst zijn zegen genieten. Hierop wees de apostel Paulus toen hij een geest van edelmoedigheid aanbeval. Hij moedigde Timótheüs ertoe aan bepaalde medegelovigen ertoe aan te sporen „goed te doen, rijk te zijn in voortreffelijke werken, vrijgevig te zijn, mededeelzaam, voor zichzelf een voortreffelijk fundament voor de toekomst veilig als een schat wegleggend, opdat zij het werkelijke leven stevig mogen vastgrijpen” (1 Tim. 6:18,19). Wat is het voortreffelijk een aandeel te kunnen hebben aan „goed werk” en daardoor een navolger te zijn van God, die zowel in stoffelijk als in geestelijk opzicht edelmoedig aan allen geeft! — Matth. 5:45; Jak. 1:5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen