Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 1/5 blz. 287-288
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 1/5 blz. 287-288

Vragen van lezers

● Zullen degenen die tot leven op aarde worden opgewekt, nog steeds onvolmaakt zijn en met de Adamitische zonde zijn behept, aangezien Romeinen 6:7 zegt dat „wie gestorven is, . . . van zijn zonde [is] vrijgesproken”?

In Romeinen 6:7 lezen wij: „Want wie gestorven is, is van zijn zonde vrijgesproken.” Uit een beschouwing van de context blijkt dat de apostel Paulus het hier had over door de geest verwekte christenen die destijds in leven waren. Terwijl zij nog leefden, waren zij in Christus Jezus gedoopt en hadden zij het deugdelijke vooruitzicht van hemels leven ontvangen. Om met heilige geest gezalfd te worden en als geestelijke zonen van God aanvaard te worden, moesten zij sterven met betrekking tot hun vroegere loopbaan in het leven als onvolmaakte mensen, moesten hun zonden door God vergeven worden en moest hun menselijke volmaaktheid worden toegekend.

Toen Paulus deze opmerking met betrekking tot gezalfde christenen maakte, gebruikte hij echter een natuurlijke illustratie uit het werkelijke leven. In een ruime toepassing van de tekst zou er terecht gezegd kunnen worden dat iemand die is gestorven, van zijn zonde is vrijgesproken.

De dood, niet het stervensproces op zich, vormt de volledige betaling voor de zonde. De bijbel zegt: „Het loon dat de zonde betaalt, is de dood” (Rom. 6:23). Dit betekent dat wanneer iemand is gestorven, zijn zondige bericht niet langer tegen hem getuigt. Indien Jezus Christus zijn leven niet als slachtoffer had gebracht en God zich niet had voorgenomen de persoon op te wekken, zou hij zelfs nooit meer leven. Toch zou hij vrijgesproken blijven van zijn zonde, aangezien God zijn geval niet steeds weer opnieuw zou onderzoeken en hem tot andere soorten van straf voor zijn zonde zou veroordelen.

Dit zou vergeleken kunnen worden met de situatie van een man die wegens de een of andere misdaad een gevangenisstraf uitzit. Wanneer zijn gevangenistijd om is, wordt hij niet steeds weer opnieuw berecht en voor dezelfde misdaad gestraft.

In het geval van iemand die uit de dood tot aards leven wordt opgewekt, kan worden opgemerkt dat het zondige bericht waarvoor hij ter dood werd veroordeeld, niet langer tegen hem getuigt. Net als iemand die uit de gevangenis wordt ontslagen, heeft hij de gelegenheid zich naar de wet te schikken. De uit de doden opgewekte persoon is niettemin nog steeds dezelfde mens. Zijn dood heeft geen verandering in hem teweeggebracht met betrekking tot zijn persoonlijkheid en zondige neigingen. Hij is door de opstanding geen volmaakt mens geworden, vrij van alle gevolgen van de van Adam overgeërfde zonde en onvolmaaktheid. Hij werd door zijn dood niet rechtvaardig verklaard. Evenals de ex-gevangene moet hij ijverig krachtsinspanningen doen om niet voor zijn vleselijke zwakheden te bezwijken. Hij moet als het ware verder gaan waar hij in het leven ophield en volledig voordeel trekken van Gods voorzieningen voor eeuwig leven op aarde.

Wegens het leven dat zij vóór hun dood hebben geleid, zullen sommige mensen een sterkere neiging tot het kwade bezitten dan andere. De bijbel zegt dan ook: „Er [zal] een opstanding . . . zijn van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen” (Hand. 24:15). Degenen die bij hun dood onrechtvaardig waren, zullen dus eveneens bij hun opstanding tot aards leven onrechtvaardig zijn.

Hoewel de dood iemand dus vrijspreekt van een door hem opgebouwd bericht van zonde, veroorzaakt de dood geen verandering in wat men als persoon is. Degenen die tot leven op aarde worden opgewekt, zijn dezelfde personen die zijn gestorven, afstammelingen van de zondaar Adam. Zij zijn onvolmaakte mensen, net zoals degenen die eeuwen geleden door Elia, Elisa, Jezus Christus, Petrus en Paulus werden opgewekt. De dood en opstanding van personen in het verleden veranderde hen niet in volmaakte mensen die in staat waren eeuwig te leven. Evenzo worden degenen die in de Nieuwe Ordening tot leven op aarde worden opgewekt, slechts tegen de dood beschermd doordat zij profijt trekken van de zonden-verzoenende voorzieningen van Jezus’ slachtoffer.

In het bijbelboek Openbaring wordt Gods voorziening voor leven, met inbegrip van de zonden-verzoenende regeling, symbolisch afgebeeld als een rivier van water des levens (Openb. 22:1, 2). Door van deze ’rivier’ te ’drinken’, worden de uit de doden opgewekte personen dan ook van alle zondige neigingen bevrijd en worden zij volmaakte mensen.

Pas wanneer zij volmaakte mensen zijn geworden, beziet Jehovah God hen als personen die in de volste betekenis van het woord tot leven zijn gekomen. Klaarblijkelijk om deze reden zegt de bijbel over degenen die tot leven op aarde zijn opgewekt dat zij ’niet tot leven kwamen tot aan het einde van de duizend jaren’ van Christus’ Koninkrijksheerschappij, gedurende welke heerschappij de voordelen van zijn zoenoffer ten behoeve van de mensheid aangewend zullen worden. — Openb. 20:5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen