Enig bewijs voor de Drieëenheid in 1 Johannes 5:7, 8?
BIJBELGELEERDEN hebben reeds lang de authenticiteit van bepaalde woorden in 1 Johannes 5:7, 8 in twijfel getrokken. Maar aangezien deze woorden in de textus receptus (aanvaarde tekst) voorkomen, worden ze in de Statenvertaling, Petrus-Canisiusvertaling, Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap en andere vertalingen aangetroffen. Ook al toonden steeds meer bewijzen aan dat de woorden onecht waren, schijnen degenen die in de Drieëenheid geloven er echter terughoudend in geweest te zijn ze uit de bijbelvertalingen te weren.
In het Beknopt commentaar op de bijbel in de Nieuwe Vertaling (1963) wordt bij 5 vers 7 bijvoorbeeld gezegd: „(in den hemel . . . op de aarde): het zgn. comma Johanneum. De woorden ontbreken in de meest betrouwbare handschriften, en zullen wel een latere toevoeging zijn; enkele theologen nemen het echter voor deze woorden op.” In de katholieke Belgische Professorenbijbel (1925) luidt deze passage: „Want drie zijn het, die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest, en deze drie zijn één; en drie zijn het, die getuigen op de aarde: de Geest en het water, en het bloed, en deze drie zijn één.” In de voetnoot bij dit schriftgedeelte wordt in deze vertaling verklaard: „Ter gelegenheid van dit 5 vers 7, of juister gezegd van de volgende woorden van v. 7-8: in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één; en drie zijn het, die getuigen op de aarde, wordt eene destijds veel omstreden vraag gesteld of die woorden door den heiligen Joannes geschreven werden en of ze deel uitmaken van den door God ingegeven tekst van de heilige Schrift. — Bewijsgronden zoowel van geschiedkundigen als van dogmatischen aard worden ter oplossing ingevoerd.” Niettemin vervolgt de voetnoot met te zeggen: „Wat daar ook moge over gezegd worden, toch blijven de aangehaalde woorden, ten voordeele van het zoo klaar uitgedrukte leerpunt der Heilige Drievuldigheid, zooniet een bewijs uit de Heilige Schrift, dan toch een bewijs uit de Overlevering en uit de leering der Kerk.”
In de voetnoot van de Petrus-Canisiusvertaling vermeet men zich te verklaren: „Naast deze drie getuigen op aarde, legt ook de Heilige Drieëenheid in de hemel door haar openbaring getuigenis af van Jesus’ Godheid.” Vervolgens wordt echter toegegeven: „Wat tussen haakjes staat, komt echter niet voor in de griekse handschriften van het Nieuwe Testament, maar wel in onze latijnse vertaling. Deze woorden drukken echter geen nieuwe, onbekende waarheid uit, daar de geloofswaarheid over de Heilige Drieëenheid op andere plaatsen van het Nieuwe Testament zeer duidelijk wordt geleerd.” Als deze passage echter niet in de grondtekst voorkomt, waarom zou men dan proberen deze te verklaren?
Hoewel de toegevoegde woorden in de tekst van de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap tussen teksthaken voorkomen, wordt in de voetnoot van de in 1957 door Bosch en Keuning uitgegeven bijbel met verklarende kanttekeningen gezegd: „Het tussen // geplaatste is het zgn. comma Johanneum, dat in oudere Gr. hss niet voorkomt. Uit Spanje of N.-Afrika afkomstig, is het allengs in verschillende bijbelvertalingen opgenomen; klaarblijkelijk om het leerstuk der Drieëenheid te schragen; maar het is duidelijk een invoeging. Verscheidene a.v. laten het dan ook geheel weg, wat o.i. de voorkeur verdient.”
Het is veelbetekenend dat de onechte woorden in kwestie niet in de meest recente bijbelvertalingen voorkomen, zoals in Het Nieuwe Testament in de omgangstaal (1972) en de Willibrordvertaling (1975). Maar hoe zijn ze eigenlijk in de bijbelse manuscripten terechtgekomen? Naar alle waarschijnlijkheid heeft een overijverige overschrijver deze verklaring opzettelijk toegevoegd om de Drieëenheidsleer te ondersteunen. Deze valse leer wordt echter noch in dit schriftgedeelte noch elders in de Heilige Schrift ondersteund.