Vragen van lezers
● Hoe is het vereiste dat in Deuteronomium 23:2 wordt uiteengezet van invloed op het vooruitzicht van onwettige kinderen om goedgekeurde dienstknechten van God te worden? — V.S.
Het gebod in Deuteronomium 23:2 maakt deel uit van de Mozaïsche wet. Het luidt: „Geen onwettige zoon mag in de gemeente van Jehovah komen. Zelfs tot aan het tiende geslacht mag niemand van hem in de gemeente van Jehovah komen.”
Deze wet werd speciaal gegeven ten einde de erfrechten van wettige zonen en hun nakomelingen te beschermen. Ook werden hierdoor prostitutie en het uiteenvallen van de gezinsregeling tegengegaan. Natuurlijk werd door deze wet geen eeuwig oordeel over personen uitgesproken. Tot degenen die uit de doden worden opgewekt en in de gelegenheid worden gesteld in Gods nieuwe ordening de goddelijke wil te leren kennen, zullen beslist personen behoren die buitenechtelijk waren geboren. — Openb. 20:13.
Thans handelt Jehovah God niet uitsluitend ten aanzien van één natie van mensen. De Mozaïsche wet, met haar voorziening waardoor onwettige zonen ervan werden buitengesloten leden van de gemeente van Gods volk te worden, is niet bindend ten aanzien van christenen (Kol. 2:13, 14). De gelegenheid om een van Gods dienstknechten te worden, staat derhalve voor iedereen open. Door middel van goddelijke openbaring vernam de christelijke apostel Petrus dat ’geen mens verontreinigd of onrein genoemd mag worden’ wegens zijn nationaliteit (Hand. 10:28). Toen hij derhalve de eerste niet-joden aansprak en hen ertoe aanmoedigde het christendom te aanvaarden, zei hij: „Ik bemerk zeer zeker dat God niet partijdig is, maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid werkt, aanvaardbaar voor hem” (Hand. 10:34, 35). Dit betekent dat alle mensen, ook degenen die buitenechtelijk geboren zijn, goedgekeurde dienstknechten van God kunnen worden, mits zij in harmonie met zijn wil leven.
● In Hebreeën 8:10 staat: „’Dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis van Israël zal aangaan’, zegt Jehovah. ’Ik wil mijn wetten in hun verstand leggen, en in hun hart zal ik ze schrijven.’” Hoe verschillen, zoals in deze tekst vermeld wordt, Gods betrekkingen ten aanzien van degenen die in het nieuwe verbond gebracht zijn, van zijn betrekkingen ten aanzien van degenen die onder het oude Wetsverbond stonden? — V.S.
Een beschouwing van de kenmerken van beide verbonden en van de omstandigheden van degenen die in de verbondsverhouding tot God gebracht werden, werpt licht op het verschil.
In de generaties nadat Jehovah God de natie Israël in een verbond had opgenomen, kwamen afzonderlijke Israëlieten door geboorte in deze verbondsverhouding. Zij hoefden geen persoonlijke beslissing te nemen om dienstknechten van Jehovah God te zijn. Bijgevolg vormde een uit het hart komende waardering geen eerste vereiste om tot Gods verbondsvolk te behoren. Niettemin zijn er in de loop van de geschiedenis vele afzonderlijke personen in de natie Israël geweest die Gods wet niet alleen kenden, maar er ook een uit het hart komende waardering voor ontwikkelden. Psalm 37:31 zegt over de rechtvaardige: „De wet van zijn God is in zijn hart.”
Niettemin waren er bepaalde kenmerken van de Wet, met inbegrip van de offers en de reinigingsprocedures, die door de Israëlieten niet volledig begrepen werden. Dit kwam doordat dergelijke kenmerken een voorafschaduwing van veel grotere dingen vormden. Kolossenzen 2:17 vertelt ons: „Die dingen zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar de werkelijkheid behoort de Christus toe.” De Israëlieten namen de ceremoniële facetten van de Wet voornamelijk in acht omdat zij hiertoe de opdracht hadden ontvangen en vanwege de strenge straffen die op ongehoorzaamheid daaraan stonden. Aangezien zij deze dingen niet volledig begrepen, was hun uit het hart komende waardering ervoor noodzakelijkerwijs beperkt. Aldus kan men begrijpen dat Gods wet niet in het verstand en het hart van iedere Israëliet gegrift stond.
Al degenen echter die in het nieuwe verbond gebracht worden, moeten zich ertoe verbinden of zich opdragen om Jehovah als discipelen van de Heer Jezus Christus te dienen. Dit vereist dat men in het openbaar belijdt dat Jezus Christus de uit de doden opgewekte Heer is, en geloof stelt in God, Degene die Jezus uit de dood heeft opgewekt. — Rom. 10:8-10.
Zonder Gods vereisten voor redding te kennen en er een uit het hart komende waardering voor te hebben, zou iemand eenvoudig geen geloof met het hart kunnen oefenen, noch een openbare bekendmaking of belijdenis kunnen doen ten einde een gedoopte discipel van Jezus te worden. Degenen die als door de geest verwekte christenen in het nieuwe verbond werden gebracht, werden in de eerste plaats in Gods vereisten voor redding onderwezen. Daarna, nadat Jehovah God hun hart had geopend om het goddelijke „woord” of de goddelijke boodschap met waardering te ontvangen, werden zij ertoe bewogen zich ertoe te verbinden of zich op te dragen om als discipelen van de Heer Jezus Christus in overeenstemming met Gods wet te leven. Nadat zij deze opdracht door middel van de waterdoop gesymboliseerd hadden, werden zij in het nieuwe verbond gebracht. Aangezien Jehovah God het voor hen mogelijk heeft gemaakt zijn wet te leren kennen en te begrijpen, alsook er werkelijk van harte waardering voor te hebben, heeft hij inderdaad zijn „wetten in hun verstand” gelegd en ze niet op stenen tafels maar „in hun hart” geschreven.