Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w74 15/1 blz. 62-63
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wat zegt de Bijbel over dinosaurussen?
    Vragen over de Bijbel
  • De verschillende gedaanten en grootten van dinosauriërs
    Ontwaakt! 1990
  • De ontdekking van ’de grote reptielen’ uit het verleden
    Ontwaakt! 1990
  • Welk lot trof de dinosauriërs?
    Ontwaakt! 1990
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
w74 15/1 blz. 62-63

Vragen van lezers

● Wanneer heeft God dinosaurussen geschapen en wanneer zijn ze uitgestorven? — V.S.

De bijbel geeft geen specifiek antwoord op deze vragen. Volgens het Genesisverslag werden dieren gedurende de vijfde en zesde scheppingsperiode of ’-dag’ geschapen. Indien de Hebreeuwse uitdrukking die vertaald is met „grote zeemonsters” [Hebreeuws, tanninim] dinosaurussen omvat, die vaak in drassige, waterachtige streken leefden, zou dit betekenen dat dinosaurussen op de vijfde „dag” werden geschapen (Gen. 1:21). Wij weten niet of ze bleven bestaan totdat de mens werd geschapen (aan het eind van de zesde „dag”). Het schijnt waarschijnlijk dat ze op zijn laatst ten tijde van de vloed in Noachs dagen van de aarde zijn verdwenen. Dinosaurussen waren reptielen en sommige soorten van dinosaurussen vertonen wat hun bouw en andere kenmerken betreft, een sterke gelijkenis met hagedissen (sauros is in feite het Griekse woord voor „hagedis”; saura in Leviticus 11:29, LXX). Niet alle dinosaurussoorten waren zo reusachtig groot. Daarom zou het, zelfs al waren ze tot aan de Vloed blijven leven, niet noodzakelijk zijn geweest paren van de mammoetsoorten in de ark te nemen. Andere kleinere leden van de specifieke familie of „soort” waartoe deze dieren behoren, zouden voldoende zijn geweest om de goddelijke opdracht te vervullen. — Gen. 6:19, 20; 7:14.

Enkele oudere vertalingen van de bijbel gebruiken soms het woord „draak” of „draken” als vertaling van het Hebreeuwse woord tanninim („zeemonsters”, NW) (Ps. 74:13; 148:7; Jes. 27:1, Leidsche Vertaling). Het woord „draak” (in het Grieks drakon) wordt aangetroffen in de christelijke Griekse Geschriften. Men heeft de mogelijkheid geopperd dat deze uitdrukking, in plaats van uit een zuiver mythische bron afkomstig te zijn, oorspronkelijk misschien is toegepast op zulke enorme schepselen als de dinosaurussen en pas lang nadat deze mammoeten waren verdwenen een mythische klank heeft gekregen. Het is interessant dat veel mythische voorstellingen van de „draak” een sterke gelijkenis vertonen met bepaalde soorten in de familie van de reuzenreptielen waartoe de dinosaurus behoort.

● Geeft Johannes 2:19 niet te kennen dat Jezus zichzelf zou opwekken? — V.S.

Zoals uit de context blijkt, heeft Johannes 2:19 betrekking op de dood en opstanding van de Heer Jezus Christus. Wij lezen: „Jezus gaf hun ten antwoord: ’Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprichten.’ Daarop zeiden de joden: ’Deze tempel werd in zesenveertig jaar gebouwd en zult gij hem in drie dagen oprichten?’ Hij sprak echter over de tempel van zijn lichaam. Toen hij evenwel uit de doden was opgewekt, herinnerden zijn discipelen zich dat hij dit meermalen had gezegd, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus had gesproken.” — Joh. 2:19-22.

Er zij opgemerkt dat als de bijbel over de vervulling van Jezus’ verklaring spreekt, er niet wordt gezegd dat ’hij zichzelf uit de doden had opgewekt’ maar dat „hij . . . uit de doden was opgewekt”. Andere schriftplaatsen tonen duidelijk aan dat God Degene was die zijn Zoon een opstanding gaf. De apostel Petrus zei tot Cornelius en zijn familieleden en intieme vrienden: „God heeft hem op de derde dag opgewekt” (Hand. 10:40). In Hebreeën 13:20 wordt over God gesproken als Degene „die de grote herder van de schapen met het bloed van een eeuwig verbond, onze Heer Jezus, uit de doden heeft doen opkomen”. En in zijn brief aan de Romeinen schreef de apostel Paulus: „Indien nu de geest van hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, zal hij die Christus Jezus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door middel van zijn geest, die in u woont” (Rom. 8:11). Jezus Christus zou dus eenvoudig niet bedoeld kunnen hebben dat hij zichzelf uit de doden zou opwekken.

Jezus wist echter wel dat hij zou sterven en uit de doden opgewekt zou worden. Bij een andere gelegenheid zei hij tot de ongelovige schriftgeleerden en Farizeeën: „Een goddeloos en overspelig geslacht blijft een teken zoeken, maar het zal geen teken worden gegeven dan het teken van Jona, de profeet. Want evenals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de geweldig grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn” (Matth. 12:39, 40). Aangezien Jezus aldus van tevoren op de hoogte was van zijn dood en opstanding kon hij, bij wijze van voorspelling, zeggen dat hij ’de tempel van zijn lichaam zou oprichten’. Aangezien hij het voorzei, was het net alsof hij het zou doen. Dit zou geïllustreerd kunnen worden met Ezechiël 43:3, waar de profeet Ezechiël verklaart: „Ik kwam om de stad [Jeruzalem] te verderven”, dat wil zeggen, door de vernietiging ervan te voorzeggen. Ezechiël had als balling in Babylon geen aandeel aan de werkelijke verwoesting van Jeruzalem; dat werd door de Babyloniërs gedaan. Maar het feit dat zijn profetie door God was geïnspireerd, maakte dat ze al zo goed als vervuld was. (Vergelijk ook Jeremia 1:10.) Op overeenkomstige wijze was Jehovah God Degene die zijn Zoon opwekte, maar kon Jezus in profetisch opzicht zeggen dat hij dit zou doen.

Bovendien hield Gods wil of gebod betreffende zijn Zoon in dat hij zou sterven en tot leven teruggebracht zou worden. In overeenstemming met het voornemen van zijn Vader deed Jezus bereidwillig afstand van zijn leven. Jezus kon derhalve de tempel van zijn lichaam in die zin oprichten dat hij de autoriteit had het leven wederom te ontvangen.

Op de derde dag gebood God Jezus uit de doden op te staan, en hij deed dit door het leven, krachtens Gods autoriteit, uit de handen van zijn Vader te ontvangen. Behalve leven als een geestelijke Zoon ontving hij het recht op volmaakt menselijk leven dat hij, aangezien hij in volledige onschuld was gestorven, niet had verbeurd. Deze verdienste van zijn menselijke slachtoffer bood hij vervolgens aan zijn Vader in de hemel aan (Hebr. 9:11-14, 24-28). Dit is in overeenstemming met Jezus’ woorden in Johannes 10:17, 18: „Daarom heeft de Vader mij lief, omdat ik afstand doe van mijn ziel, opdat ik ze wederom moge ontvangen. Niemand heeft ze van mij afgenomen, maar ik doe er uit mijzelf afstand van. Ik heb autoriteit er afstand van te doen, en ik heb autoriteit ze wederom te ontvangen. Het gebod hiervoor heb ik van mijn Vader ontvangen.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen