Schapen weiden — Een veeleisend maar voldoening schenkend werk
BENT u iemand aan wie de verantwoordelijkheid is toevertrouwd voor met schapen te vergelijken personen in de christelijke gemeente te zorgen? ’De kudde Gods te weiden’ is geen gemakkelijk werk, maar het schenkt voldoening (1 Petr. 5:2-4). Het werk van een geestelijke herder kan in bepaalde opzichten met dat van een letterlijke schaapherder worden vergeleken.
De bedoeïenenherder in het Midden-Oosten is door de eeuwen heen in wezen niet veranderd. Hij draagt nog altijd een lang op een hemd gelijkend gewaad dat bijna tot de grond reikt. Zijn mantel, of aba, kan van kameelhaar of van groffe, met de hand gesponnen wol zijn. En op zijn hoofd draagt hij zijn Arabische hoofdtooi.
De herder heeft tot taak goede weidegronden en geschikte drinkplaatsen te zoeken. Wanneer er schapen ziek worden of als er lammeren worden geboren, vereist dit speciale aandacht. Een Syriër die jaren geleden herders had gadegeslagen die hun kudden op de hellingen van de berg Hermon weidden, berichtte:
„Iedere herder hield zijn kudde nauwkeurig in het oog om te zien hoe het met de dieren ging. Wanneer hij een pas geboren lam vond, droeg hij het in de plooien van zijn aba, of mantel, aangezien het te zwak zou zijn om de moeder te volgen. Als zijn boezem vol was, legde hij de lammeren over zijn schouders en hield ze dan bij de pootjes vast, of hij deed ze in een mand op de rug van een ezel, totdat de kleintjes in staat waren de moeders te volgen.”
Zo schenkt ook een goede geestelijke herder liefdevolle aandacht aan „de kudde” en zorgt teder voor zwakke of nieuwe leden van de gemeente. Op deze wijze volgt hij het voorbeeld van Jehovah God na, wiens liefdevolle zorg voor zijn volk zo passend is beschreven met de woorden: „Als een herder zal hij zijn eigen kudde weiden. Met zijn arm zal hij de lammeren bijeenbrengen, en in zijn boezem zal hij ze dragen. De zogenden zal hij met zorg leiden.” — Jes 40:11.
Het is ook interessant dat de herders uit het Midden-Oosten hun schapen roepen en dat de schapen de stem van de herder kennen en gehoorzaam volgen. J. L. Porter beschreef een tafereel waarvan hij tussen de heuvels van Basan getuige was geweest:
„De herders voerden hun kudden de stadspoorten uit. . . . De herders bleven bij elkaar staan totdat alle schapen naar buiten waren gekomen. Toen gingen zij uit elkaar, waarbij elke herder een ander pad nam en onder het gaan een scherpe, hem eigen roep liet weerklinken. De schapen hoorden hen. Eerst slingerde en bewoog de massa zich alsof ze door de een of andere innerlijke kramp werd geschokt; toen staken er in de richting die de herders namen, punten uit, die steeds langer werden totdat de verwarde massa zich oploste in lange, levende stromen die achter hun leiders aangolfden.” — The Giant Cities of Bashan and Syria’s Holy Places, blz. 45.
Maar herkenden de schapen werkelijk de stem van de herder? Ja, inderdaad. Dit werd waargenomen door W. M. Thomson toen hij jaren geleden het Midden-Oosten bezocht. Hij schreef: „De herder laat nu en dan een scherpe roep horen om hen aan zijn aanwezigheid te herinneren. Ze kennen zijn stem en volgen. . . . Dit is niet de fantastische verhaaltrant waarin een gelijkenis wordt verteld; het is een simpel feit. Ik heb de proef bij herhaling genomen.”
Jezus Christus zei dat hij de „voortreffelijke herder” van de „schapen” was en: „Mijn schapen luisteren naar mijn stem, en ik ken ze, en zij volgen mij” (Joh. 10:14, 27). Indien degenen die als onderherders van Jezus dienen werkelijk zijn woorden spreken door zich nauwgezet te houden aan wat er in de bijbel staat, zullen de „schapen” gunstig reageren. Zij zullen de leiding volgen van degenen die getrouw de kudde Gods weiden.
Hoe goed kent u, als geestelijke herders, de „schapen” die aan uw zorg zijn toevertrouwd? Een goede herder houdt zich er druk mee bezig voor de individuele behoeften van de schapen te zorgen, waarbij hij nauwgezet de vermaning van de bijbel ter harte neemt: „Gij behoort beslist te weten hoe uw kleinvee eruitziet. Zet uw hart op uw kudden.” — Spr. 27:23.
Een goede herder moet volharding en moed bezitten en zorgvuldig aandacht aan de kudde schenken. ’s Zomers staan de schapen aan de gloeiende zon, en ’s winters aan koude regen of sneeuw bloot. Er kan gevaar bestaan voor wilde beesten en zelfs voor rovers die de schapen misschien proberen te stelen. Een herder van „de kudde Gods” moet evenzo volharding en moed bezitten. Hij moet op zijn hoede zijn voor met wolven te vergelijken mannen die de kudde van het pad van rechtvaardigheid zouden willen afbrengen. — Hand. 20:28-30.
Hoewel het weiden van schapen een veeleisend werk is, is het ook een voldoening schenkend werk. Een geestelijke herder heeft in het bijzonder de voldoening de belangen te dienen van God, Degene naar wie hij vol vertrouwen als de beloner van zijn volk opziet.