Jezus „God” te noemen, schept een probleem
● Veel theologen geven toe dat het een probleem schept Jezus „God” te noemen, want zoals theoloog H. W. Montefiore in het boek Soundings — Essays Concerning Christian Understanding schreef „wist [Jezus] zelf dat hij de Zoon van zijn hemelse Vader was: hij beschreef zichzelf als Heer en als de Zoon des mensen. Hij beschreef zichzelf beslist niet als God.” En The Christian Century van 19 mei, 1971, merkte over de rooms-katholieke theoloog Karl Rahner op dat hij „bereid is Jezus als ’Heer en Redder’ te omschrijven maar niet zo ver gaat dat hij hem God noemt”.
In een lezing die in 1968 door G. H. Boobyer, hoogleraar in de theologie, werd gehouden, vestigde hij de aandacht op dit probleem en vroeg: „Kunt u, zoals veel theologen nog steeds schijnen te doen, de twee stellingen met elkaar verenigen dat een kritische studie van de Evangeliën enerzijds een Jezus toont die zich er niet van bewust is dat hij God is en er geen aanspraak op maakt God te zijn, en dat men anderzijds gelooft dat de christologie van Nicea, die verklaart dat hij ’Waarachtig God uit waarachtig God’ is, een juiste vertolking van het bewijsmateriaal van het Nieuwe Testament is? Ik zou op zijn minst willen opperen dat dit probleem op het ogenblik dringend genoeg is om op zich een reden te vormen voor die ’herwaardering van het geloof van de Kerk in Christus tot op de dag van vandaag’ waar . . . A. Grillmeier over spreekt als iets wat dringend noodzakelijk is.”
Anders gezegd, zij geven toe dat het geloof in de Drieëenheid maar een wankele basis heeft.